DE BRIEVEN

De Zeventiende Brief

Het tweede punt

Eens bevond zich een man in een gevangenis. Eén van zijn geliefde kinderen werd naar hem toe gebracht. Die arme gevangene droeg naast zijn eigen leed ook de zorg en het verdriet om zijn kind, doordat hij hem niet van aangenaam verblijf kon voorzien.

Toen stuurde de barmhartige heerser één van zijn mannen naar hem toe met de volgende boodschap: “Hoewel dit kind van jou is, behoort het ook tot mijn onderdanen en maakt het deel uit van mijn volk. Ik ga hem meenemen en in een mooi paleis laten verzorgen.”

De man begon te huilen en te smeken: “Ik sta mijn kind, mijn bron van troost, niet af.”

Daarop zeiden zijn medegevangenen tegen hem: “Jouw verdriet is zinloos. Als je medelijden hebt met het kind, weet dan dat hij in plaats van deze bedompte, stinkende en benauwende gevangenis zal vertrekken naar een ruim en vredig paleis waar hij gelukkig zal zijn.

Maar als jij uit eigenbelang handelt en medelijden hebt met jezelf, en het kind hier bij jou blijft, dan heb jij daar misschien kortstondig een twijfelachtig voordeel van, maar vanwege de moeilijkheden die het kind hier doormaakt, zul jij zelf ook veel leed en ellende meemaken.

Gaat hij daarentegen naar het paleis, dan levert dat jou duizend voordelen op. Hij zal immers de genade van de sultan aantrekken en voor jou als bemiddelaar optreden. De sultan zal dan wensen dat jouw kind jou weer ziet. Om dit te verwezenlijken, zal hij hem zeer zeker niet naar de gevangenis terugsturen, maar in plaats daarvan jou uit de gevangenis laten halen en naar zijn paleis brengen om jullie daar te verenigen, op voorwaarde dat jij op de sultan vertrouwt en hem gehoorzaamt.”

Mijn eerbiedwaardige broeder! Gelovigen die zoals jij hun kind hebben verloren, dienen als volgt te denken:

Dit kind is onschuldig, en zijn Schepper is genadevol en vrijgevig. Hij heeft hem, in plaats van mijn gebrekkige zorg en beperkte tederheid, Zijn volmaakte genade en barmhartigheid geschonken en hem tot Zich genomen. Hij heeft hem weggenomen uit een ellendig, moeizaam, rampzalig tranendal en geleid naar een tuin in Zijn paradijs. Hoe gelukkig is dit kind dan! Wie weet wat er van hem geworden zou zijn als hij in deze wereld was gebleven. Daarom heb ik geen medelijden met hem, want ik weet dat hij gelukkig is.

Wat mijn eigen voordeel betreft, ook dan heb ik geen medelijden met mijzelf en raak ik niet in diepe wanhoop. Als hij in deze wereld was gebleven, zou hij mij tien jaar lang een vergankelijke kinderliefde hebben geschonken, vermengd met pijnlijke zorgen. Als hij een rechtschapen mens was geworden en in zijn leven succes had gekend, dan zou hij mij waarschijnlijk slechts met het wereldse hebben geholpen. Maar nu, door zijn overlijden, is hij voor mij een bemiddelaar geworden voor een bron van kinderliefde in het eeuwige paradijs en voor een voortdurtende gelukzaligheid.

Inderdaad, iemand die een twijfelachtig, tijdelijk voordeel verliest en daarentegen duizend uitgestelde maar zekere voordelen verkrijgt, zal geen werkelijk verdriet tonen en niet in wanhopig gejammer uitbarsten.