DE FLITSEN

Nu zijn wij tot de overtuiging gekomen dat deze waarheden van de Koran licht zijn. Zij kunnen zich niet verenigen met de duisternis van huichelarij, vleierij en zelfvernedering. Daarom bleven de betekenissen van de waarheden van de Risale-i Nur voor mij verborgen en vreemd, alsof zij zich van mij verwijderden.

 

Ik smeek Allah dat Hij mij voortaan de ikhlās (oprechtheid) schenkt die nodig is om deze dienst waardig te zijn, en dat Hij mij bevrijdt van huichelarij en gemaaktheid tegenover de wereldse mensen. In de eerste plaats vraag ik mijn leermeester en vervolgens mijn broeders om hun gebeden.

 

Jullie gebrekkige broeder,
Hafiz Tevfik, afkomstig uit Damascus

 


Het achtste geval

 

Dit betreft Seyrānī. Hij was, net als Husrev, een inzichtvolle leerling van mij, met een sterk verlangen naar de Risale-i Nur. Met betrekking tot de tewāfuks, die een sleutel vormen tot de geheimen van de Koran en een belangrijk middel binnen de wetenschap van de djifr, vroeg ik de leerlingen in Isparta naar hun mening. Allen, behalve hij, namen met groot enthousiasme deel.

 

Omdat hij echter met een andere gedachte en een andere belangstelling bezig was, nam hij niet alleen geen deel, maar probeerde hij mij ook af te brengen van een waarheid waarvan ik met zekerheid overtuigd was. Hij schreef mij een brief die mij diep raakte.

 

Ik zei: “Helaas! Ik ben deze leerling kwijtgeraakt.”

 

Hoewel ik probeerde zijn gedachte te verhelderen, raakte er nog een andere betekenis in vermengd. Daarop ontving hij een barmhartige tuchtiging. Gedurende bijna een jaar verbleef hij in de gevangenis.

 


Het negende geval

 

Dit betreft de grote Hafiz Zühtü. Hij stond, in een bepaalde periode, aan het hoofd van de Risale-i Nur-leerlingen in Ağros. Hij achtte echter de geestelijke eer van de leerlingen, die het volgen van de soenna en het vermijden van bidʿas tot hun levensweg hadden gemaakt, niet voldoende en aanvaardde, in de hoop een positie te verwerven in de ogen van de wereldse mensen, de taak om een belangrijke bidʿa te onderwijzen.

 

Hiermee beging hij een fout die volledig in strijd was met onze dienst aan de Koran. Hij ontving een zeer zware barmhartige tuchtiging. Hij werd getroffen door een gebeurtenis die de eer van zijn familie volledig ondersteboven bracht.

 

Maar helaas werd ook de kleine Hafiz Zühtü door deze pijnlijke gebeurtenis getroffen, hoewel hij deze tuchtiging in het geheel niet had verdiend. Wellicht zal deze gebeurtenis — inshāAllāh — de betekenis krijgen van een heilzame geestelijke ingreep, die zijn hart losmaakt van de wereld en het volledig aan de Koran toewijdt.

 

Het tiende geval

 

Dit betreft Hafız Ahmed (r.h.). Hij was gedurende twee à drie jaar op een aanmoedigende en ijverige wijze betrokken bij het overschrijven van de Risale-i Nur en ontving er geestelijk voordeel van. Daarna maakten de wereldse mensen gebruik van een zwakke neiging in hem. Zijn enthousiasme werd hierdoor geschaad. Hij trad in contact met de wereldse mensen, mogelijk om hun schade niet te ondervinden, om invloed op hen te verkrijgen, een zekere positie te verwerven en verlichting te brengen in zijn beperkte levensonderhoud.

 

Als gevolg van deze verslapping en schade aan zijn dienst aan de Koran ontving hij twee tuchtigingen.

 

De eerste tuchtiging: naast zijn reeds beperkte levensonderhoud werden er nog vijf personen aan zijn onderhoud toegevoegd, waardoor zijn toestand van armoede en ontreddering een ernstige omvang aannam.

 

De tweede tuchtiging: hoewel hij zeer gevoelig was ten aanzien van zijn eer en waardigheid en zelfs de kritiek of tegenwerping van één enkele persoon niet kon verdragen, maakten enkele sluwe mensen hem — zonder dat hij het besefte — tot een middel voor hun eigen doeleinden, waardoor zijn eer ernstig werd aangetast. Hij verloor negentig procent van zijn aanzien en negentig procent van de mensen keerde zich van hem af.

 

Hoe het ook zij, moge Allah hem vergeven. Wellicht zal hij — inshāAllāh — hierdoor tot inzicht komen en gedeeltelijk terugkeren tot zijn dienst.