DE FLITSEN

Het zevende geval

 

Dit betreft Hafiz Tevfik afkomstig uit Damascus. Hij vertelt het zelf:Ik beken dat ik, zonder het te beseffen en door onjuist te denken, vanwege handelingen die verslapping in de dienst aan de Koran veroorzaakten, twee barmhartige tuchtigingen heb ontvangen. Ik twijfel er niet aan dat deze tuchtigingen daaruit voortkwamen.

 

De eerste

Alle lof behoort aan Allah, mijn Arabische handschrift was mij geschonken op een wijze die tot op zekere hoogte geschikt was voor het schrijven van de Koran. Mijn leermeester liet mij als eerste drie djuzʾ schrijven en verdeelde vervolgens de overige delen onder mijn andere broeders.

 

Mijn verlangen om de Koran te schrijven verminderde echter mijn toewijding aan de dienst van het overschrijven van de Risale-i Nur. Bovendien nam ik een hoogmoedige houding aan, in de gedachte dat ik de andere broeders, die het Arabische schrift niet beheersten, zou overtreffen. Toen mijn leermeester mij eens een aanwijzing gaf met betrekking tot het schrijven, zei ik zelfs hoogmoedig: “Dit behoort tot mijn taak. Ik weet dit; ik heb geen behoefte aan onderricht.”

 

Overeenkomstig deze fout ontving ik een buitengewone tuchtiging, geheel onverwacht. Ik kon zelfs een broeder die het Arabische schrift het minst beheerste (Husrev) niet bijhouden. Wij waren allen zeer verbaasd. Nu begrijpen wij dat dit een tuchtiging was.

 

De tweede

Ik beken dat twee van mijn gedragingen de volmaakte oprechtheid en de zuivere dienst aan de Koran, die uitsluitend omwille van Allah wordt verricht, schaadden. Daarom ontving ik een strenge tuchtiging.

 

Want ik ben in dit land als een vreemdeling en leef in een staat van armoede — zonder dat dit een klacht moge zijn — mede doordat ik mij niet hield aan de beginselen van zuinigheid en tevredenheid, die tot de belangrijkste richtlijnen van mijn leermeester behoren.

 

Bovendien was ik, doordat ik genoodzaakt was te verkeren onder zelfzuchtige en hoogmoedige mensen — moge Allah mij vergeven — gedwongen een houding aan te nemen die neigde naar huichelarij en vleierij.

 

Deze toestand, die in strijd was met de geest van de dienst aan de Koran, werd zowel door duivels onder de djinn als door mensen benut en veroorzaakte een zekere vermindering van ijver en verslapping in onze dienst.

 

Als gevolg van deze fout ontving ik een strenge — maar inshāAllāh barmhartige — tuchtiging. Wij twijfelen er niet aan dat deze tuchtiging daaruit voortkwam.

 

Deze tuchtiging was als volgt:

 

Hoewel ik acht jaar lang zowel leerling als schrijver was geweest van mijn meester, kon ik gedurende ongeveer acht maanden geen voordeel trekken uit de Risale-i Nur. Wij waren hierover verbaasd. Zowel mijn leermeester als ikzelf zochten naar de oorzaak en vroegen ons af: “Waarom gebeurt dit?”