De Korte Woorden

Het Eenentwintigste Woord

Inderdaad, het hart – dat aan eindeloos veel verdriet en leed onderhevig is, met hartstocht naar grenzeloos veel genot hunkert en oneindig veel wensen heeft – kan in haar behoeftes alleen voorzien worden door met smeekbedes toevlucht te nemen tot Rahīm-i Kerīm, Die over alles de macht heeft.

De ziel – die in deze vergankelijke wereld een band heeft met de meeste wezens die scheidingskreten slaken en uiterst snel vergaan – kan alleen middels het gebed het levenswater drinken uit de genadekraan van Mabūd-i Bāqī, Mahbūb-i Sermedī, Die boven alles een verheven waarde heeft.

De latīfe-i rabbāniyya – die een heel subtiel en sterk spiritueel zintuig is, die als de heer van alle andere spirituele zintuigen fungeert, die als een spiegel dient waarmee het bestaan van Zāt-i Ezèlī we Ebèdī bekend wordt en die van nature naar eeuwigheid verlangt en voor eeuwigheid geschapen is – heeft onder deze benauwende, beklemmende, problematische, vergankelijke en duistere wereldse omstandigheden ongetwijfeld absoluut veel behoefte aan verademing en kan enkel en alleen ademen door het venster van het gebed.