DE BRIEVEN

De Elfde Brief

Het tweede onderwerp

Dit onderwerp betreft de vruchten van de dennenboom, de cederboom, de jeneverbessenstruik en de populier op de bergweiden van Barla. Aangezien dit al in de Risale-i Nur is besproken, wordt het hier niet opnieuw behandeld.

Het derde onderwerp

Dit onderwerp en het volgende zijn gedeelten uit de voorbeelden in Het Vijfentwintigste Woord die aantonen hoezeer de moderne beschaving tekortschiet tegenover de wonderbaarlijkheid van de Koran. Het zijn twee voorbeelden te midden van duizenden die bewijzen hoe onrechtvaardig de hedendaagse mensenrechten zijn die in strijd zijn met de Koran. Bijvoorbeeld:

فَلِلذَّكَرِ مِثْلُ حَظِّ اْلاُنْثَيَيْنِ

Dit oordeel van de Koran is niet alleen absolute rechtvaardigheid, maar ook pure barmhartigheid.

Inderdaad, het is rechtvaardig. Want de overweldigende meerderheid van de mannen neemt een vrouw als levensgezellin en draagt daarmee de verantwoordelijkheid om voor haar te zorgen. Een vrouw daarentegen gaat in haar rol als echtgenote naar de man toe en legt de zorg voor haar levensonderhoud bij hem neer. Zo compenseert zij het gebrek in wat zij heeft geërfd.

Bovendien is het ook barmhartig. Want het gevoelige karakter van een meisje heeft sterk behoefte aan shefqa van haar vader en genade van haar broer. Volgens de Koran ontvangt zij deze shefqa van haar vader zonder dat deze vermengd raakt met bezorgdheid. Haar vader ziet haar immers niet als een problematisch kind dat de helft van zijn bezit zal wegdragen naar een vreemde hand. Zijn shefqa raakt niet vermengd met zorgen of woede. Ook haar broer toont haar een beschermende broederliefde zonder gevoelens van rivaliteit of afgunst. Hij bekijkt zijn zus niet als een rivaal die een aanzienlijk deel van het familiebezit zal overdragen aan een buitenstaander. Zo worden zijn liefde en bescherming niet vertroebeld door haat of afkeer.

Zo verliest dat van nature gevoelige, tere en lichamelijk zwakke meisje misschien ogenschijnlijk een klein bedrag, maar wint in ruil daarvoor een onschatbare rijkdom aan shefqa en genade van haar naasten. Dus is het idee dat men haar meer moet geven dan wat Allah voor haar heeft vastgesteld – vanuit de gedachte dat dit barmhartiger zou zijn dan de barmhartigheid van de Waarachtige Zelf – geen barmhartigheid, maar juist een groot onrecht.

De wrede hebzucht van onze tijd, die doet denken aan het meedogenloze onrecht uit het Tijdperk van Onwetendheid toen meisjes uit brute hoogmoed levend werden begraven, kan de weg openen naar een meedogenloos kwaad. Zo bevestigen, net als het hiervoor genoemde vers, alle verzen van de Koran met hun oordelen het volgende gebod:

وَمَٓا اَرْسَلْنَاكَ اِلَّا رَحْمَةً لِلْعَالَم۪ينَ