DE BRIEVEN

De Achtiende Brief

Inderdaad, zo vereist de goddelijke heerschappij in werkelijke zin het bestaan van de talrijke heilige namen van Allah, zoals er-Rahmān [de Barmhartige], er-Rezzāq [de Voorziener], el-Wehhāb [de Schenkende], el-Khallāq [de Scheppende], el-Faāl [de Handelende], el-Kerīm [de Vrijgevige] en er-Rahīm [de Genadevolle]. En deze werkelijke namen vereisen het bestaan van daadwerkelijke spiegels.

Nu reduceren de aanhangers van de wahdetul-wudjūd, die

​​لَا مَوْجُودَ اِلَّا هُوَ

zeggen, de werkelijkheid van al wat buiten Allah is tot het niveau van een verbeelding. De namen van Allah als Wādjibul-Wudjūd, Mewdjūd, Wāhid-i Ehad hebben ongetwijfeld werkelijke manifestaties en daadwerkelijke toepassingsdomeinen. Zelfs als hun spiegels en toepassingsdomeinen niet werkelijk maar slechts denkbeeldig of zelfs niet-existent zouden zijn, zou dat aan deze namen geen schade toebrengen. Als de spiegel van een bestaande geen enkel teken van eigen bestaan zou bezitten, dan zou zij nog zuiverder en glanzender worden.

Maar volgens de aanhangers van wahdetul-wudjūd zijn de manifestaties van Zijn namen er-Rahmān [de Barmhartige], er-Rezzāq [de Voorziener], el-Qahhār [de Onderwerper], el-Djebbār [de Strenge Onderwerper] en el-Khallāq [de Scheppende] niet werkelijk, maar slechts hypothetisch; terwijl deze namen in werkelijkheid net zo reëel zijn als de naam Mewdjūd. Zij kunnen geen schaduwen zijn; zij zijn wezenlijk en niet tweederangs.

Daarom zeggen de ashāb, de asfiyā’s onder de mudjtehidīn en de imams van ehl-i beyt:

حَقَٓائِقُ الْاَشْيَٓاءِ ثَابِتَةٌ

Met andere woorden, de namen van Allah hebben een feitelijke, werkelijke verschijning. Door Zijn schepping ontvangt alles een bestaan dat van Hem afkomstig en van Hem afhankelijk is. Dat bestaan is weliswaar, vergeleken met het bestaan van Wādjibul-Wudjūd, een zeer zwakke, onstabiele schaduw. Maar het is geen voorstelling of verbeelding. Allah verleent veeleer vanuit Zijn naam el-Khallāq [de Scheppende] hun een werkelijk bestaan en onderhoudt dat bestaan voortdurend.

De tweede vergelijking: bijvoorbeeld, stel dat aan de vier wanden van deze kamer vier spiegels van vloer tot plafond zouden hangen. Dan zou elke afzonderlijke spiegel, samen met de andere drie, dezelfde ruimte weergeven. Toch zou iedere spiegel, overeenkomstig haar eigen vorm en kleur, de kamer op een eigen wijze bevatten en een beeld tonen dat in zekere zin haar eigen, bijzondere weergave is.