DE BRIEVEN
De Tweeëntwintigste Brief
Het vierde geval: wanneer iemand, over wie geroddeld wordt, een openlijke zondaar is. Dat houdt in dat hij zich niet schaamt voor het verrichten van slechte handelingen, zich zelfs beroept op zijn zonden, genoegen schept in zijn onrechtmatige daden en zijn schanddaden openlijk begaat, zonder daar enige onrust over te voelen.
Inderdaad, onder deze uitzonderingsgevallen is roddelen geoorloofd, indien het zonder kwaadgezindheid wordt gedaan en puur voor het dienen van de waarheid en goede zaak. In het andere geval verteert roddelen de goede daden, zoals vuur het hout verteert.
Degene die heeft geroddeld of gewillig naar roddel heeft geluisterd, dient
اَللّٰهُمَّ اغْفِرْلَنَا وَ لِمَنِ اغْتَبْنَاهُO Allah, vergeef mij en degene over wie wij hebben geroddeld.
te zeggen en zodra hij de persoon tegenkomt over wie hij heeft geroddeld, dient hij te zeggen: “Neem mij dit niet al te lang kwalijk, vergeef me.”
اَلْبَاقِى هُوَ الْبَاقِىDe Eeuwige, Hij is de Eeuwige
Said Nursi