DE BRIEVEN

De Dertiende Brief

Moge de barmhartigheid rusten op degenen die mij helpen de roem en eer van deze wereld – die toch slechts bestaan uit hypocrisie en bedrieglijke beroemdheid – te vernietigen, en niet op degenen die mij helpen deze te verkrijgen. Er rest mij alleen nog mijn stervensuur, dat in de handen van Khāliq-i zul-Djelāl ligt. Wie zou het wagen zich ermee te bemoeien vóórdat het zal aanbreken? Zeker behoren wij tot degenen die een eerbare dood verkiezen boven een schandelijk leven. Iemand die sterk op de Oude Said leek, heeft eens gezegd:

وَ نَحْنُ اُنَاسٌ لَا تَوَسُّطَ بَيْنَنَا- لَنَا الصَّدْرُ دُونَ الْعَالَم۪ينَ اَوِ الْقَبْرُ

Inderdaad, de dienst aan de Koran heeft mij zelfs verboden na te denken over het maatschappelijke en politieke leven van de mensheid. Dat is als volgt:

Het menselijke leven is een reis. Met het licht van de Koran heb ik gezien dat deze reisweg in onze tijd in een moeras is veranderd. In dit vuile en stinkende moerasgebied trekt de karavaan van de mensheid voort, struikelend en weer opstaand. Slechts een deel van hen volgt het rechte en veilige pad. Een ander deel probeert zich, voor zover dat kan, met allerlei middelen uit de modder en het moeras te redden. Het grootste deel echter waadt in het duister door dit modderige, vuile en stinkende moeras.

Twintig procent van hen smeert door dronkenschap deze smerige modder op hun gezicht en in hun ogen, in de overtuiging dat zij een muskusgeur heeft. Zo gaan zij struikelend en weer opstaand door tot zij uiteindelijk stikken. De overige tachtig procent merkt wel degelijk hoe bedorven dat moeras is, hoe het stinkt en verrot, maar in hun vertwijfeling zien zij de veilige weg niet meer. Om hen te helpen, zijn er twee wegen mogelijk:

De eerste weg: men kan die twintig procent met een knots uit hun dronken toestand wakker slaan.

De tweede weg: men kan de radeloze mensen een licht tonen dat hun de zekere en veilige weg wijst.

Ik kijk echter om mij heen en zie dat tegenover die twintig mensen tachtig mensen met een knots in de hand staan. Maar aan die tachtig hulpeloze, radeloze mensen wordt het licht niet op de juiste manier getoond. En al zou iemand het hun laten zien, dan nog wekt hij wantrouwen, omdat hij zowel de knots als het licht tegelijk vasthoudt. De radeloze mens vraagt zich dan onrustig af: “Wil hij mij soms met het licht lokken en daarna met de knots slaan?” En soms, wanneer de knots door een of ander voorval breekt, verdwijnt ook het licht of dooft het uit.

Dit moeras is het losbandige maatschappelijke leven dat in achteloosheid en misleiding is verdwaald. Die dronken mensen zijn de eigenzinnigen die genieten van hun eigen dwaalwegen en dwaasheden. De radelozen daarentegen zijn degenen die de misleiding wel als afschuwelijk ervaren, maar zichzelf er niet uit kunnen losmaken. Zij willen zich redden, maar vinden de weg niet; het zijn verwarde mensen.