DE BRIEVEN

De Tweeëntwintigste Brief

Het tweede aspect

Het is onrechtvaardig vanuit het oogpunt van de wijsheid.

Het is algemeen bekend dat liefde en haat, zoals licht en duisternis, tegenpolen zijn die in essentie niet kunnen samengaan.

Wanneer liefde zich in het hart van de mens als werkelijke liefde bevindt, dan wordt vijandschap onwezenlijk en verandert deze in mededogen. Inderdaad, een gelovige houdt van zijn broeder en dient ook van hem te houden; jegens zijn fouten voelt hij enkel mededogen. Hij benadert zijn broeder niet met dwang, veeleer tracht hij naar zijn verbetering door welwillend te handelen. Daarom wordt het volgende in een hadith bevolen: “Een gelovige mag niet langer dan drie dagen zwijgend boos zijn op een andere gelovige en het gesprek met hem afbreken.”

Echter, wanneer de redenen voor vijandschap de overhand krijgen en deze vijandschap in het hart van een mens werkelijke haat veroorzaakt, dan wordt liefde daarin onwezenlijk en leidt deze tot gekunsteldheid en vleierij.

O jij onrechtvaardige mens! Zie nu in hoe groot het onrecht is om haat en vijandschap te koesteren jegens jouw gelovige broeder. Immers, wanneer jij kleine stenen waardevoller zou achten dan de stenen van de Kaäba en zou beweren dat deze verhevener zijn dan de berg Uhud, dan zou jij een lelijke dwaasheid begaan.

Indien je een gezond verstand hebt, zul je beseffen wat een grote onrechtvaardigheid, onverstandigheid en wreedheid het is om sommige fouten, vergelijkbaar met simpele kiezelstenen die haat en vijandschap veroorzaken tegen een gelovige, te verkiezen boven de vele Islamitische eigenschappen zoals de īmān – die zo eerbiedwaardig is als de Kaäba – en de Islam – die zo verheven is als de berg Uhud –, terwijl deze liefde en saamhorigheid vereisen.

Inderdaad, net zoals de eenheid die voortkomt uit īmān de eenheid van de harten vereist, zo vereist ook de eenheid die voortkomt uit geloofsbelijdenis de eenheid in maatschappelijke opvattingen. Je kan inderdaad niet ontkennen dat je een vriendschappelijke verbondenheid hebt met iemand met wie jij samen in dezelfde compagnie dient, en dat bij jou tegenover hem zich een gevoel van kameraadschap ontwikkelt omdat jullie je onder het bevel van één commandant bevinden. Ook zul je een broederlijke saamhorigheid voelen met iemand die uit dezelfde streek of hetzelfde land komt. Echter, met het licht en besef dat de īmān jou verleent, bestaan er zoveel verenigende banden, eendrachtige verbondenheden en broederlijke relaties als het aantal goddelijke namen die eveneens dankzij īmān getoond en verduidelijkt worden.