DE BRIEVEN
De Dertiende Brief
Aangezien in mijn verbanning uiteindelijk de beschikking van Allah de doorslag geeft en deze beschikking rechtvaardig is, zoek ik mijn toevlucht bij die beschikking. De ogenschijnlijke oorzaak berust immers slechts op voorwendselen. Het is daarom zinloos om bij hen een verzoek in te dienen. Als zij in hun recht zouden staan of een geldige reden zouden hebben, dán zou een verzoek aan hen zinvol kunnen zijn.
Maar omdat ik hun wereld volledig heb opgegeven, mij van hun politiek geheel heb afgewend en hun beschuldigingen en verdenkingen absoluut ongegrond zijn, zal ik bij hen geen verzoek indienen en zo hun verdenkingen de schijn van werkelijkheid geven.
Als ik ook maar enige neiging in mijzelf had aangetroffen om mij te bemoeien met de wereldse politiek – waarvan de touwtjes in handen zijn van vreemden – dan zou het niet acht jaar, maar nog geen acht uur duren voordat zulke inmengingen naar buiten zou lekken en zichtbaar zou worden. Maar ik heb in acht jaar niet eens de wens gehad om een krant te lezen, en heb er ook geen één gelezen. Ik sta hier al vier jaar onder toezicht, en toch is er geen spoor van politieke bemoeienis van mijn kant naar buiten gekomen. Dit laat zien dat de dienst aan de Koran zo verheven is boven alle politiek, dat er in die dienst eenvoudigweg geen ruimte is om af te dalen tot de wereldse politiek, die grotendeels uit leugens bestaat.
De tweede reden waarom ik geen verzoek indien, is dat ik tegenover mensen die hun eigen onrecht als recht beschouwen geen rechtvaardige zaak wil bepleiten; dat zou in zekere zin onrecht doen aan het recht zelf. Een dergelijke vorm van onrecht wil ik niet op mij nemen.
Jullie derde vraag
Waarom neem jij zo’n onverschillige houding aan ten opzichte van de wereldse politiek? Waarom bekommer jij je niet om de gebeurtenissen in deze wereld? Bevallen deze gebeurtenissen jou soms? Of ben je bang, waardoor je zwijgt?
Het antwoord: de dienst aan de Koran heeft mij de wereld van politiek ten strengste verboden. Zij deed mij zelfs elke gedachte daaraan vergeten. Mijn hele leven getuigt er bovendien van dat angst mij nooit heeft kunnen weerhouden de weg te bewandelen waarvan ik eenmaal heb ingezien dat hij waar is. En waarom zou ik bang moeten zijn? Ik ben aan niets in dit aardse leven gebonden behalve aan mijn stervensuur. Ik hoef niet aan vrouw en kinderen te denken, noch aan bezit en eigendom, noch aan de eer van mijn familie.