DE BRIEVEN
De Tiende Brief
DE TIENDE BRIEF
بِاسْمِهٖ سُبْحَانَهُIn de naam van Hem, Hij is feilloos
وَ اِنْ مِنْ شَىْءٍ اِلَّا يُسَبِّحُ بِحَمْدِهٖ“En er is niets dat Hem niet verheerlijkt met de lof die Hem toekomt.” – De Koran 17:44
Het antwoord op twee vragen.
De eerste vraag:[1] in de Koran wordt herhaaldelijk gesproken over Imām-i MubīnEen geschrift waarin de verleden en toekomstige toestanden van de schepselen zijn geschreven. en Kitāb-i MubīnEen geschrift waarin de manifestatie van de macht en de wil van Allah zijn geschreven.. Sommige mufessirīnEen grote geleerde die zich met het interpreteren van de Koran bezighoudt; een Koran-exegeet. zijn van mening dat beide hetzelfde betekenen, terwijl anderen menen dat zij volledig van elkaar verschillen. Hun uitleg over de betekenis ervan loopt uiteen, maar samengevat concluderen zij dat Imām-i MubīnEen geschrift waarin de verleden en toekomstige toestanden van de schepselen zijn geschreven. en Kitāb-i MubīnEen geschrift waarin de manifestatie van de macht en de wil van Allah zijn geschreven. verwijzingen zijn naar de kennis van Allah.
Dankzij de zegeningen van de Koran ben ik tot de overtuiging gekomen dat Imām-i MubīnEen geschrift waarin de verleden en toekomstige toestanden van de schepselen zijn geschreven. een vorm van goddelijke kennis en goddelijk bevel aanduidt die meer betrekking heeft op ālem-i ghaibHet verborgene; hetgeen onbekend is en niet kan worden waargenomen. dan ālem-i shehādaDe wereld die wij kunnen aanschouwen, het universum.; dus het is meer gericht tot het verleden en de toekomst dan het heden. Deze aanduiding richt zich vooral op de oorsprongen, wortels, zaden, vruchten en nageslachten van de schepselen, en minder op hun zichtbare, manifeste verschijningsvormen. Het functioneert als een boek van qàderDe goddelijke lotsbeschikking; de pre-eeuwige kennis van Allah, waarin zich alles met al haar eigenschappen en toestanden bevindt voordat het nog tot stand wordt gebracht.. Het bestaan van dit boek is bewezen in Het Zesentwintigste Woord en in een voetnoot in Het Tiende Woord. Imām-i MubīnEen geschrift waarin de verleden en toekomstige toestanden van de schepselen zijn geschreven. is dus inderdaad een soort aanduiding voor een vorm van de goddelijke kennis en het goddelijke bevel.
Aangezien het begin, de oorsprong en de wortels van alle schepselen met meesterschap en perfecte ordening naar het eindresultaat worden geleid, bewijst dit dat zij zijn bepaald volgens de goddelijke kennis, het goddelijke plan en het goddelijke bevel. En omdat de resultaten, zaden en nageslachten van de schepselen in zich de programma’s, de inhoudsopgaven en de registers dragen van alle toekomstige wezens, begrijpen wij dat zij een klein verzamelwerk vormen van de goddelijke bevelen. Zo is een zaadje een nietig kleine belichaming van zowel het programma en de inhoudsopgave voor de groei van de gehele boom als de ewāmir-i tekwīniyyaBevelen en wetten van de Schepper aangaande het scheppen; ook wel natuurwetten genoemd., die deze inhoudsopgave en dit programma bepaalt.
- Dit is een voetnoot die betrekking heeft op de lange zin in het tweede hoofdstuk van Het Dertigste Woord, waarin de transformatie van de kleine deeltjes wordt beschreven. ↩︎