DE BRIEVEN
De Twintigste Brief
Is het dan überhaupt mogelijk dat degene die niet in staat is het hele universum te besturen, wiens gezag niet in alle tijden geldt, die niet eens één wereld zo eenvoudig als één individu het leven kan geven en de dood kan brengen, die niet in staat is om elke lente even gemakkelijk als één bloem tot leven te roepen en daarmee het aardoppervlak te versieren en het vervolgens weer weg te nemen door de dood te brengen, aanspraak zou kunnen maken op de macht over dood en sterven?
Inderdaad, het is noodzakelijk dat de dood, net als het leven, zelfs van het kleinste levende wezen, plaatsvindt volgens de wet, de toestemming, het bevel, de macht en de kennis van Zāt-i zul-DjelālAllah, de Majesteitelijke Heer Wiens grootheid en verhevenheid grenzeloos is., in Wiens macht alle waarheden van het leven en alle vormen van de dood zich bevinden.
Het achtste woord
وَ هُوَ حَىٌّ لَا يَمُوتُHij is de levende en onsterfelijke
Met andere woorden, Zijn is leven voortdurend en eeuwig. Dood, verval, ondergang en non-existentie kunnen Hem niet treffen. Want Hij bezit het leven in Zijn Wezen. En wat tot Zijn Wezen behoort, kan nooit vergaan. Wie eeuwig zonder begin is, is inderdaad ook eeuwig zonder einde. Wie geen begin heeft, heeft zeer zeker ook geen einde. Wie een noodzakelijk bestaan heeft, heeft zeer zeker ook een voortdurend bestaan.
Inderdaad, hoe zou dan Zijn leven, waarvan al het bestaande niet meer is dan een schaduw, door non-existentie bedreigd kunnen worden?
Inderdaad, Zijn leven, waarvan het noodzakelijke bestaan de vereiste grondslag en als het ware de titel is, kan op geen enkele wijze door ondergang en verval bedreigd worden.
Inderdaad, Zijn leven – door de manifestatie waarvan de hele schepping voortdurend het bestaan binnentreedt, waarop alle waarheden van het universum steunen en waardoor zij bestendigheid ontvangen – kan op geen enkele wijze door vergankelijkheid en verval bedreigd worden.
Inderdaad, Zijn leven – waarvan een enkele flits van manifestatie aan de hele schepping, die aan vergankelijkheid en verval blootstaan, een eenheid verleent en continuïteit verschaft, haar voor verval behoedt en haar bestaan behoudt, en haar een vorm van voortdurendheid schenkt – geeft aan de veelheid een eenheid en aan die eenheid voortdurendheid. Als het leven zou verdwijnen, zou de gehele schepping uiteenvallen en vergaan. Dus, ondergang en verval kunnen Zijn noodzakelijke leven, waarvan één enkele manifestatie talloze levens voortbrengt, op geen enkele wijze benaderen.