DE BRIEVEN

De Zestiende Brief

De tweede kwestie

Wereldsgezinde mensen zeggen tegen mij: “Wij hebben een officieel departement dat bevoegd is om de oordelen van het geloof en de waarheden van de Islam te onderwijzen. Vanuit welke autoriteit publiceer jij dan religieuze werken? Aangezien jij tot verbanning bent veroordeeld, heb jij geen recht meer om je met dit soort zaken bezig te houden.”

Het antwoord: aan recht en waarheid kunnen geen beperkingen worden opgelegd. Hoe kan men dan het geloof en de Koran aan beperkingen onderwerpen? Jullie kunnen jullie wereldse principes en wetten begrenzen, maar de geloofswaarheden en de principes van de Koran kunnen niet beperkt worden tot enkel een officiële instelling waarbij men zijn dienst tegen een wereldse vergoeding verricht. Deze waarheden zijn immers een geschenk van Allah, en de zegeningen daarvan kunnen alleen worden ontvangen door een zuivere intentie en door het opgeven van wereldse zaken en allerlei wereldse lusten.

Sterker nog, jullie eigen officiële departement heeft mij, toen ik nog in mijn geboortestreek leefde, tot predikant benoemd en mij een taak toegewezen. Ik heb die functie aanvaard, maar het salaris ervan afgewezen. Het document dat daarop betrekking heeft, draag ik nog steeds bij mij. Met dit document kan ik overal als predikant en als imam werkzaam zijn, want mijn verbanning is onrechtmatig opgelegd. En aangezien alle bannelingen zijn gerehabiliteerd, blijven ook mijn oude documenten rechtsgeldig.

Ten tweede: de geloofswaarheden die ik heb geschreven, heb ik rechtstreeks tot mijn eigen nefs gericht. Ik nodig daarmee niet iedereen uit. Integendeel, degenen wiens zielen daar behoefte aan hebben en wiens harten verwond zijn, zoeken zelf deze geneesmiddelen van de Koran op en vinden die daarin.

Enkel om in mijn levensonderhoud te voorzien, heb ik – voordat het Latijnse schrift werd ingevoerd – de verhandeling over de wederopstanding laten drukken. Ook deze is door de voormalige gouverneur, die mij vijandig gezind was, bestudeerd en onderzocht. Desondanks kon hij mij niet lastigvallen, omdat hij er geen enkel punt van kritiek in kon vinden.

De derde kwestie

Doordat wereldsgezinde mensen mij met argwaan bekijken, hebben sommige van mijn vrienden zich ogenschijnlijk van mij gedistantieerd en zelfs bekritiseren zij mij, omdat zij bij die wereldsgezinde mensen in een goed daglicht willen staan. Maar de wereldsgezinde mensen zijn sluw genoeg om de terughoudendheid van deze “vrienden” van mij niet als een teken van loyaliteit richting henzelf te zien, maar eerder als een vorm van huichelarij en gebrek aan geweten. Daarom kijken zij juist met boze, minachtende blikken op zulke “vrienden” neer.

Hierop zeg ik: “O mijn vrienden! Vlucht niet weg door jullie af te keren van mijn dienst aan de Koran. Inshāallah zal er van mij geen enkel kwaad jullie treffen. Zelfs als er iets ernstigs zou gebeuren, of mij onrecht zou worden aangedaan, dan zullen jullie daaraan toch niet kunnen ontkomen door je van mij te distantiëren. Integendeel, juist daardoor roepen jullie die beproeving en tegenslag alleen maar méér over jezelf af. Wat is er eigenlijk gebeurd, dat jullie in zulke vermoedens zijn vervallen?”