DE BRIEVEN
De Twintigste Brief
En de Heer heeft met deze kunst de mens zodanig in de mooiste gedaante ingekleurd, dat in het materiële, lichamelijke en levenloze hoofd van de mens een immateriële, onzichtbare en levendige bloem van spraakvermogen heeft laten bloeien.
En Hij heeft het vermogen om te spreken en de bekwaamheid om zich uit te drukken met zulke hoogwaardige eigenschappen uitgerust, dat Hij de mens tot ontwikkeling heeft gebracht naar een rang waarin hij een aanspreekbaar schepsel van Sultān-i EzèlīAllah, Die de Sultan is van alles en alle tijden, en Wiens bestaan geen begin heeft. is geworden. Zo heeft de inkleuring van de Heer, die in de aard van de mens aanwezig is, de bloem van aanspreekbaarheid in hem doen bloeien.
Is het dan überhaupt mogelijk dat iets of iemand anders buiten Wāhid-i EhadAllah, Die één is en Wiens eenheid in alles zichtbaar is. zich zou kunnen bemoeien met de kunst, die in alle schepselen zichtbaar is en die in de vorm van een boek is gemanifesteerd, of met de inkleuring die de mens tot de rang van aanspreekbaarheid verheft? Allah verhoede!
Het vijfde gedeelte:
قُدْرَتُهُ ف۪ى ذَاكَ...الخ
Met andere woorden, Allah toont met Zijn macht Zijn majesteitelijke heerschappij in de macrokosmos, de hele schepping, en demonstreert met Zijn barmhartigheid Zijn gunsten in de microkosmos, de mens.
Zo schept Hij het universm met Zijn macht, overeenkomstig Zijn grootsheid en majesteitelijkheid, als een vorstelijk paleis. Hij stelt de zon aan als een reusachtige verlichting, de maan als een lamp, en de sterren als kaarsen die dit paleis sieren en verlichten. Tegelijkertijd bedekt Hij met Zijn macht het aardoppervlak als een tafel, een akker, een tuin en een tapijt; en Hij maakt de bergen tot opslagplaatsen, masten, burchten en dergelijke.
Zoals Hij Zijn majesteitelijke heerschappij op schitterende wijze toont door alles op grote schaal tot benodigdheden van dit grootse paleis te maken, zo deelt Hij – met Zijn barmhartigheid – op even bijzondere wijze de soorten van Zijn gunsten uit aan alle bezielde wezens tot aan de kleinste levende wezens toe, en ordent Hij hen dienovereenkomstig. Hij versiert hen van top tot teen met gunsten en rust hen uit met Zijn genadegaven. En naast die majesteitelijke grootsheid laat Hij de schoonheid van Zijn barmhartigheid zien in de kleine woorden, en toont Hij haar naast die grote woorden in het boek (het universum).
Dus, wanneer de reusachtige schepselen zoals de zon en de hemel op een geweldige wijze “yā DjelīlO Allah, Wiens majesteitelijkheid grenzeloos is., yā KebīrO Allah, Wiens grootsheid grenzeloos is., yā AzīmO Allah, Wines verhevenheid grenzeloos is.” roepen, zeggen de kleine levende wezens zoals vliegen en vissen op een subtiele wijze “yā DjemīlO Allah, Wiens pracht oneindig is., yā RahīmO Allah, Die oneindig genadevol is., yā KerīmO Allah, Die oneindig vrijgevig is.”. Zo sluiten zij met hun subtiele liederen aan bij het grote orkest van het universum en verfraaien zij het.
Is het dan überhaupt mogelijk dat iemand of iets anders dan Djelīl-i zul-DjemālAllah, Wiens grootsheid en verhevenheid grenzeloos en Wiens pracht oneindig is., Djemīl-i zul-DjelālAllah, Wiens pracht oneindig is en Wiens grootheid en verhevenheid grenzeloos. zich zou kunnen bemoeien met de schepping van deze grote en kleine werelden? Allah verhoede!