DE BRIEVEN

De Zestiende Brief

De vierde kwestie

In deze periode van mijn verbanning merk ik dat sommige opschepperige mensen, die in het moeras van de politiek zijn weggezakt, mij aankijken alsof ook ik, net als zij, verwikkeld zou zijn in de wereldse stromingen.

“O heren! De stroming waarin ik mij bevind, is de stroming van het geloof. Tegenover mij staat de stroming van het ongeloof. Met andere stromingen heb ik geen enkele band. Mannen die voor een dergelijke wereldse arbeid in loondienst zijn getreden, kunnen zich misschien nog tot op zekere hoogte verontschuldigd achten. Maar mij aanvallen en mij lastigvallen in naam van patriotisme, zonder enige vorm van beloning en puur vanuit partijdigheid en rivaliteit, dat is een bijzonder ernstige fout. Want zoals ik hierboven heb uiteengezet, heb ik geen enkel belang bij de wereldse politiek. Ik heb mijn tijd en mijn hele leven beperkt tot de geloofswaarheden, en mij daaraan volledig gewijd. Aangezien dit zo is, zou degene die mij uit rivaliteit lastigvalt, zich moeten realiseren dat hij daarmee in feite in naam van goddeloosheid en ongeloof handelt en op die manier het geloof zelf aanvalt.”

De vijfde kwestie

Aangezien de wereld vergankelijk en het leven kort is; aangezien er zeer veel noodzakelijke taken zijn; aangezien het eeuwige leven hier wordt verworven; aangezien de wereld niet zonder Eigenaar is; aangezien dit wereldse gastenverblijf een uiterst wijze en vrijgevige Bestuurder heeft; aangezien geen enkele goede of slechte daad onbeloond of onbestraft zal blijven; aangezien volgens het geheim achter het vers

​​​لَا يُكَلِّفُ اللّٰهُ نَفْسًا اِلَّا  وُسْعَهَا

er geen ondraaglijke lasten en verplichtingen bestaan; aangezien een ongevaarlijke weg te verkiezen is boven een gevaarlijke weg; en aangezien wereldse vriendschappen en rangen niet verder komen dan de poort van het graf, dan is de meest gelukkige uiteraard degene die het hiernamaals niet vergeet omwille van deze wereld; zijn hiernamaals niet opoffert omwille van deze wereld; zijn eeuwige leven niet vernietigt omwille van het aardse leven; die zijn leven niet verbeuzelt met nutteloze zaken; die zichzelf als gast beschouwt en zich naargelang de bevelen van de Gastheer gedraagt; en die met tevredenheid de poort van zijn graf opent en de eeuwige gelukzaligheid binnentreedt.[1]

  1. De bovenstaande zinnen met “aangezien” vormen de redenen waarom ik aan al het onrecht dat men mij heeft aangedaan en aan al de lasten die men mij heeft opgelegd geen belang hecht en er geen betekenis aan schenk. Ik zeg tegen mijzelf: “Het is de moeite niet waard,” en ik houd mij verre van wereldse zaken. ↩︎