DE BRIEVEN

De Vierde Brief

Daarna kwam het fraaie en rijke gedicht dat jij had geschreven – beginnend met: “Kijk naar de kleurrijke bladzijde van het boek van het universum …” –  in mijn gedachten. Met dat gedicht keek ik naar de sterren aan het gelaat van de hemel en zei bij mezelf: “Had ik maar dichterlijk talent, dan zou ik dit voltooien.”

Hoewel ik geen aanleg heb voor poëzie, begon ik toch te schrijven. Maar ik kon het niet in dichtvorm gieten; ik schreef zoals het in mij opkwam. Jij, mijn erfgenaam, kunt het – als je wilt – in dichtvorm brengen en ordenen. Dit is wat mij toen plotseling te binnen schoot:

Luister naar de sterren, naar hun prachtige preek; 

Zie wat het lichtende geschrift van wijsheid verkondigt! 

Allen zijn zij tot spraak gekomen en zeggen met de taal van de waarheid: 

Wij zijn lichtende getuigen van de majesteitelijke heerschappij van Qadīr-i zul-Djelāl

Wij getuigen van Zijn bestaan, Zijn eenheid en Zijn macht. 

Verguld is het aangezicht van de aarde met subtiele wonderen, opdat de engelen haar kunnen aanschouwen. 

Wij zijn duizenden aandachtige ogen in de hemel, die naar de aarde neerkijken en op het Paradijs letten.[1]

Daar groeit de Tūbā-boom van de schepping,

haar takken strekken zich door de hemel heen en haar twijgen beelden de Melkweg. 

Door de hand der wijsheid van Djemīl-i zul-Djelāl,

zijn wij als prachtige vruchten daaraan opgehangen. 

Voor de bewoners van de hemelen zijn wij reizende moskeeën,

ronddraaiende huizen en verheven verblijfplaatsen,

stralende kroonluchters en geweldige schepen;

als vliegtuigen zijn wij allen. 

Geschapen door Qadīr-i zul-Kemāl, Hakim-i zul-Djelāl

elk afzonderlijk zijn wij een wonderbaarlijke kracht,

een geweldige kunstwerk van Zijn schepping,

een uniek kunstwerk van Zijn wijsheid en een wonder van Zijn schepping,

een wereld vol van licht zijn wij... 

Zo tonen wij met honderdduizend tongen honderdduizend bewijzen,

en doen wij deze aan de mensen vernemen die een mens zijn.

 Blind zijn de ogen van de goddelozen,

zij kunnen ons gezicht niet aanschouwen,

onze stemmen niet meer horen. 

Wij zijn tekenen die de waarheid verkondigen. 

De stempel op ons is dezelfde, het zegel op ons is hetzelfde. 

Wij loven onze Heer als aanbiddende lofprijzers. 

Wij zijn als extatische liefhebbers,

behorend tot de grote kring van het Melkwegkoor.

اَلْبَاقِى هُوَ الْبَاقِى

Said Nursi

  1. Met andere woorden, aangezien op het aardoppervlak – dat de kwekerij en akker van de bloemen van het Paradijs is – talloze wonderen van goddelijke macht worden tentoongesteld, aanschouwen de engelen in de hemelen deze wonderen. En zoals zij deze aanschouwen, zo kijken ook de sterren – die als de ogen van de hemelse lichamen fungeren – als het ware, net als de engelen, naar de verfijnde schepselen op aarde. Terwijl zij deze vergankelijke wonderen zien, richten zij hun blik op het Paradijs en aanschouwen zij die wonderen daar in blijvende vorm. Zo kijken zij tegelijk naar de aarde en naar het Paradijs; dat wil zeggen, hun blik reikt tot beide werelden. ↩︎