DE BRIEVEN

De Twintigste Brief

Het Tweede Hoofdstuk

Een beknopte aanwijzing voor het bewijs van tewhīd (de eenheid van Allah) vanuit het perspectief van ism-i azam.

 

Het eerste woord

لَا اِلٰهَ اِلَّا اللّٰهُ

Dit woord verwijst naar de eenheid van Allah en naar het feit dat Hij de enige is Die aanbeden kan worden. Wij zullen daarom als volgt wijzen op een buitengewoon krachtig bewijs hiervan:

In het universum, in het bijzonder op het aangezicht van onze aardbol, is een uiterst ordelijke activiteit zichtbaar, waarin wij een uiterst wijze scheppingskracht aanschouwen. En wij getuigen ook met aynel-yaqīn van een volmaakt geordende ontwikkeling van vormen, dus dat aan elk afzonderlijk schepsel een passende groei, vormgeving en vervolmaking wordt verleend. En daarnaast nemen wij een uiterst genadevolle, vrijgevige en barmhartige schenking van gunsten waar.

Aangezien dit zo is, bewijst en toont deze situatie noodzakelijkerwijs het noodzakelijke bestaan en de eenheid van Zāt-i zul-Djelāl Die el-Faāl [de Voortdurend Werkzame], el-Khallāq [de Scheppende], el-Fettāh [de Opener] en el-Wehhāb [de Gulle Schenker] is.

Inderdaad, het voortdurende verval en de voortdurende vernieuwing van al het bestaande tonen aan dat het bestaan de manifestaties van de heilige namen van de Sāni-i Qadīr, de schaduwen van het licht van Zijn namen, de sporen van Zijn handelingen, de versieringen van Zijn macht en de spiegels van Zijn volmaakte schoonheid in zich draagt.

Zoals de Eigenaar van het universum zowel deze verheven waarheid als Zijn eenheid verkondigt in alle geopenbaarde heilige boeken en geschriften, zo bevestigen ook alle waarheidsgetrouwe en volmaakte mensen met hun onderzoekingen en ontdekkingen hetzelfde feit.

En ook de schepping zelf wijst – ondanks haar machteloosheid en behoeftigheid – door het getuigenis van de onophoudelijke wonderen van kunst, de wonderen van macht en de rijkdom aan schatten die zich op haar openbaren, naar diezelfde waarheid.

Dat houdt in dat Shāhid-i Ezèlī met al Zijn boeken en geschriften, ehl-i shuhūd met al hun onderzoekingen en ontdekkingen, en deze wereld met al haar geordende toestanden en doelmatige functies, deze eenheid eensgezind bevestigen.

Dus wie Wāhid-i Ehad niet erkent, moet of het bestaan van oneindig vele goden aannemen of, zoals de dwaze sofisten, zowel zijn eigen bestaan als het bestaan van het gehele universum loochenen.