DE BRIEVEN

De Zestiende Brief

De tweede gebeurtenis: dit jaar heb ik gehoord dat een voorval heeft plaatsgevonden. Hoewel ik alleen een korte weergave van het incident had vernomen, nadat het had plaatsgevonden, werd ik behandeld alsof ik er ernstig bij betrokken was geweest.

Al lange tijd wissel ik geen nieuws meer uit. Wanneer ik dat toch doe, schrijf ik hoogstens heel zelden aan een vriend over geloofskwesties. Zelfs aan mijn broertje heb ik in de afgelopen vier jaar niet meer dan één brief geschreven. Ik heb mijzelf verboden deze contacten te onderhouden, zoals ook de wereldsgezinde mensen mij deze contacten hebben ontzegd. Slechts één of twee vrienden kan ik één keer per week ontmoeten. Wat de bezoekers uit het dorp betreft, er kwamen er hooguit één of twee per maand, en zij spraken niet langer dan één of twee minuten met mij over kwesties die het hiernamaals betroffen.

Hier, in deze verbanning, waar het voor iemand als ik – een eenzame vreemdeling die niemand kent – niet mogelijk is om in dit dorp voor zijn levensonderhoud te werken, ben ik van alle menselijke contacten uitgesloten en is mij alles verboden.

Vier jaar geleden heb ik zelfs een bouwvallige moskee laten opknappen. Terwijl ik in mijn eigen stad de officiële aanstelling als predikant en imam had, en ik in die moskee vier jaar lang mijn diensten als imam heb verricht (moge Allah deze diensten accepteren), was het mij in de laatste gezegende maand Ramadan niet meer toegestaan hier naar de moskee te gaan. Mijn gebeden heb ik soms helemaal alleen verricht. Zo ben ik beroofd van de vijfentwintigvoudige beloning en de vele weldaden van het gezamenlijk verrichte gebed.

Tegenover deze twee gebeurtenissen die mij zijn overkomen, heb ik precies dezelfde geduld en verdraagzaamheid getoond als twee jaar eerder bij de handelswijze van die ambtenaar tegenover mij. Inshāallah zal ik dat volhouden. Daarbij denk ik en zeg ik tegen mijzelf:

“Wanneer dit leed, deze slechte behandeling en deze verdrukking, die mij door wereldsgezinde mensen worden aangedaan, mijn nefs betreffen – die vol fouten en gebreken is – dan neem ik niemand iets kwalijk. Misschien zal mijn nefs hierdoor een betere houding aannemen, en bovendien vormt het een boetedoening voor vele zonden. Ik heb immers in dit wereldse gastenverblijf van zeer veel genoegens genoten. Wanneer ik dan een heel klein deel van de moeilijkheden ervan proef, dan ben ik daarvoor ook dankbaar. En als de wereldsgezinde mensen mij onderdrukken vanwege mijn dienst aan het geloof en de Koran, dan is het niet aan mij om mij daartegen te verdedigen; dat draag ik over aan Azīz-i Djebbār.”

Als hun bedoeling daarentegen is om de algemene aandacht die op mij is gericht van mij af te wenden opdat elke vorm van ijdele roem – die tot schijnheiligheid leidt en de oprechtheid aantast – wordt gebroken, moge de genade van Allah met hen zijn. Ik ben van mening dat het voor iemand als ik schadelijk is om in het middelpunt van algemene belangstelling te staan en in de ogen van de mensen een beroemd persoon te zijn.