DE BRIEVEN

De Zestiende Brief

De eerste gebeurtenis: twee jaar geleden heeft een directeur, zonder enige reden, achter mijn rug om op een kleinerende wijze met beledigende woorden over mij gesproken. Men heeft mij dit later verteld.

Daarop stak het temperament van de Oude Said weer in mij de kop op en overweldigde mij bijna een uur lang. Vervolgens schoot er in mijn hart door de barmhartigheid van Allah een waarheid, die mijn verontwaardiging verdreef en mij ertoe bracht die man te vergeven. Deze waarheid is als volgt:

Ik sprak tot mijn nefs: “Als zijn beledigingen en de fouten die hij heeft beschreven mijzelf en mijn nefs betreffen, moge dan Allah tevreden over hem zijn, omdat hij de onbetamelijkheden van mijn nefs heeft verwoord. Als hij de waarheid heeft gesproken, dan spoort hij mij aan mijn nefs te disciplineren en helpt hij mij om van hoogmoed bevrijd te worden. Als hij daarentegen niet de waarheid heeft gesproken, dan helpt hij mij juist om beschermd te worden van huichelarij en van de valse roem, die de kern van huichelarij vormt.”

Inderdaad, ik heb nog geen vrede met mijn nefs gesloten, omdat ik mijn nefs nog niet tot discipline heb gebracht. Als iemand mij zou zeggen, of met zijn vinger zou aanwijzen, dat er een schorpioen op mijn schouder zit, dan hoor ik mij daardoor niet beledigd te voelen, maar juist dankbaar te zijn. Als de beledigingen van deze man daarentegen betrekking hebben op mijn hoedanigheid als bediende van de geloofswaarheden en de Koran, dan heb ik daar niets mee te maken. In dat geval laat ik hem geheel over aan de Eigenaar van de Koran, Die mij in Zijn dienst heeft genomen. Hij is el-Qadīr [de Almachtige] en el-Hakīm [de Alwijze].

En als hij over mij sprak slechts om mij te beschimpen, te beledigen en te vernederen, dan raakt ook dat mij niet. Aangezien ik een banneling, een gevangene en een vreemdeling ben, met gebonden handen, is het niet aan mij om mijn eer te proberen herstellen. Dit is eerder de verantwoordelijkheid van de gezagsdragers die toezicht op mij houden in dit dorp – waar ik te gast ben – en vervolgens van de gezagsdragers van deze stad en provincie. Iemand die de gevangene in iemands hand vernedert, richt zich in feite tot diens eigenaar; het is aan die eigenaar om hem te verdedigen. Nu dit eenmaal het feit is, is mijn hart tot rust gekomen.

Ik zei

​​​وَاُفَوِّضُ اَمْر۪ٓى اِلَى اللّٰهِ اِنَّ اللّٰهَ بَص۪يرٌ بِالْعِبَادِ

Daarna beschouwde ik die gebeurtenis alsof zij nooit had plaatsgevonden en vergat haar. Helaas is later gebleken dat de Koran hem niet had vergeven.