DE BRIEVEN

De Drieëntwintigste Brief

De correcte vorm van het tweede gedeelte dat jij op jouw plaat zag is als volgt:

Ik heb dit als een spreuk van wijsheid boven het hoofdeinde van mijn bed gehangen. Elke ochtend en elke avond kijk ik ernaar en trek ik daar wijze lessen uit.

Als je een vriend zoekt, dan is Allah voldoende.

Inderdaad, als Hij jouw vriend is, is al het geschapene jouw vriend.

Als je een metgezel zoekt, dan is de Koran voldoende.

Inderdaad, daarin ontmoet men in gedachten de profeten en engelen, beschouwt hun verhalen en raakt met hen vertrouwd.

Als je rijkdom zoekt, dan is tevredenheid voldoende.

Inderdaad, wie tevreden is, leeft zuinig; en wie zuinig leeft, vindt baraka.

Als je een vijand zoekt, dan is je nefs voldoende.

Inderdaad, wie zichzelf bewondert, wordt beproefd door lasten en getroffen door onheil; wie zichzelf niet bewondert, vindt rust en vreugde, en ontvangt de barmhartigheid van Allah.

Als je raad zoekt, dan is de dood voldoende.

Inderdaad, wie aan de dood denkt, wordt bevrijd van wereldse gehechtheid en werkt serieus aan zijn hiernamaals.

 

Ik voeg aan jouw zeven vraagstellingen nog een achtste toe.

Een paar dagen geleden reciteerde een hāfiz een gedeelte uit soera Yūsuf, tot en met het vers:

تَوَفَّن۪ى مُسْلِمًا وَ اَلْحِقْن۪ى بِالصَّالِح۪ينَ

Plotseling dook in mijn hart de opmerking op dat alles wat de Koran en het geloof betreft waardevol is. Hoe klein en nietig het ogenschijnlijk ook beschouwd wordt, de waarde ervan is zeer groot. Inderdaad, alles wat dienstbaar is aan jouw eeuwige gelukzaligheid is niet van kleine waarde. Daarom kan men niet zeggen: “Dit is maar een klein punt, het behoeft geen uitleg en is geen aandacht waard.”

En zeker zal Ibrahim Hulūsi, die in zulke zaken de eerste student en de eerste aangesprokene is, deze opmerking willen horen. Luister er dan aandachtig naar!