DE BRIEVEN

De Twintigste Brief

Daarmee bedoelden zij dat vergeleken met Zijn bestaan het bestaan van al het andere niet eens werkelijk de naam “bestaan” verdient, en die benaming niet waard is.

Inderdaad, voor de noodzakelijke en wezenlijke macht van Wādjibul-Wudjūd is het tot stand brengen van al het andere – dat later geschapen en niet wezenlijk is – en het tot bestaan roepen van mumkināt – die onbestendig en machteloos zijn – zonder twijfel uiterst gemakkelijk en licht. Het tot leven wekken en ter verantwoording roepen van alle zielen bij de grote wederopstanding is voor Hem even gemakkelijk als het tot leven brengen van de bladeren, bloesems en vruchten die in een lente voorkomen, zelfs die in een tuin bevinden en aan een boom groeien.

Het tweede geheim: dat het “anders-zijn van Zijn Wezen en Zijn verhevenheid boven beperkingen” het scheppen en besturen zo gemakkelijk maakt, berust op het volgende:

Zeer zeker is de Schepper van het universum niet van dezelfde aard als het universum. Zijn Wezen is met geen enkel wezen van de schepping te vergelijken. Daarom kunnen de hindernissen en beperkingen waaraan de schepping onderhevig is, Hem niet belemmeren en Hem in Zijn handelingen niet begrenzen. Hij kan het gehele universum tegelijkertijd besturen en leiden.

Als men de handelingen en het bestuur die in het universum zichtbaar zijn, aan de schepping zelf zou toeschrijven, dan zou dat zoveel moeilijkheden en verwarringen veroorzaken dat er geen orde zou overblijven. Dan zou niets kunnen voortbestaan en zou zelfs geen enkel schepsel opnieuw tot het bestaan kunnen treden.

Bijvoorbeeld, als het meesterlijke gewelf van een koepel aan de stenen van de koepel zelf zou worden overgelaten, en het bevel over een bataljon – dat in werkelijkheid aan de commandant toekomt – aan de soldaten zelf zou worden gegeven, dan zou of helemaal niets tot stand komen, of er zou slechts met grote moeite en in grote verwarring een toestand ontstaan zonder orde.

Maar als de opdracht om met stenen een koepel te vormen wordt toevertrouwd aan een bouwmeester die niet tot het geslacht van de stenen behoort, en als het commando over het bataljon wordt gegeven aan een commandant die de rang en eigenschappen van een commandant bezit, dan wordt zowel het maken van het kunstwerk eenvoudig, als ook de leiding en besturing van het bataljon gemakkelijk. Want stenen en soldaten belemmeren elkaar wederzijds; de meester daarentegen kan zich vrij en ongehinderd overal mee bezighouden, en de officier kan het bevel voeren.