DE BRIEVEN

De Zestiende Brief

Gedurende vijf jaar van mijn verbanning hebben vele vrienden herhaaldelijk geprobeerd mij te overtuigen hun geschenken en giften te accepteren, maar ik heb die niet aangenomen. Wanneer zij mij vragen: “Hoe kun je dan in deze omstandigheden nog rondkomen?”, antwoord ik hen: “Ik leef van baraka en de begunstiging van Allah.” Hoewel mijn nefs in werkelijkheid elke belediging en elke vorm van verachting verdient, heb ik toch baraka ondervonden en ervaren in de vorm van levensonderhoud uit de vrijgevigheid van Allah. Dit is een kerāma van de dienst aan de Koran.”

Met het geheim achter het vers

​​​وَ اَمَّا بِنِعْمَةِ رَبِّكَ فَحَدِّثْ

wil ik, als een vorm van dankzegging, enkele voorbeelden noemen van de gunsten die Allah mij heeft geschonken.

Toch vrees ik, terwijl ik dit doe ter dankzegging, dat het verkondigen ervan misschien een zweem van pronkzucht of hoogmoed oproept en ik daardoor deze baraka zou kunnen verliezen. Want wanneer iemand zich pronkend een verborgen baraka bekendmaakt, zal ervoor zorgen dat die baraka ophoudt. Maar de omstandigheden hebben mij ertoe gedwongen dit te openbaren.

Het eerste voorbeeld: al zes maanden lang is een zak graan van ongeveer dertig kilo, die overeenkomt met zesendertig broden, voor mij voldoende geweest. Er is er nog steeds wat van over; het is nog niet geheel opgebruikt. Ik weet niet hoelang het nog zal blijven toereiken.[1]

Het tweede: in deze gezegende maand Ramadan is mij vanuit slechts twee huizen eten gebracht, en beide maaltijden hebben mij ziek gemaakt. Daaruit heb ik begrepen dat het mij verboden is om maaltijden van anderen aan te nemen.

Bovendien heeft mijn trouwe vriend Abdullah Çavuş – die voor zijn hele familie zorgde en zich de hele maand Ramadan tegelijkertijd om mijn onderhoud bekommerde – verklaard en getuigd dat drie sneetjes brood en één kilo rijst voor mij toereikend waren. Deze kilo rijst raakte pas vijftien dagen ná het einde van Ramadan op.

Het derde: ongeveer één kilo boter was op de berg voor mij en mijn gasten voldoende voor drie maanden, mits wij het dagelijks met brood aten. Eén van mijn gezegende gasten heette Süleyman. Op een dag raakte zowel mijn brood als het zijne op. Het was woensdag en ik zei tegen hem: “Ga wat brood halen.” Maar binnen een tijdspanne van twee uur bleek er niemand bereikbaar van wie brood te krijgen was. Süleyman zei: “Ik wens de vrijdagnacht bij jou op de berg in aanbidding door te brengen.” Ik antwoordde hem

​​​تَوَكَّلْنَا عَلَى اللّٰهِ

dus blijf.

  1. Het bleek nog voldoende te zijn voor één jaar. ↩︎