DE BRIEVEN

De Zesde Brief

  Toen zei ook mijn ziel: “Inderdaad, door machteloosheid en vertrouwen op Allah, door behoeftigheid en toevlucht tot Allah, wordt de poort van het licht geopend en wordt de duisternis verdreven.”

 

اَلْحَمْدُ لِلّٰهِ عَلَى اْلاِيمَانِ وَ اْلاِسْلاَمِ

 

En ik zag hoe waar de uitspraak uit de bekende Hikam al-Ataiyya is:

 

مَاذَا وَجَدَ مَنْ فَقَدَهُ - وَ مَاذَا فَقَدَ مَنْ وَجَدَهُ

 

Met andere woorden:

 

“Wat heeft degene verloren die Allah heeft gevonden? En wat heeft degene gevonden die Hem heeft verloren?”

 

Dat wil zeggen:

 

“Wie Hem vindt, vindt alles; wie Hem niet vindt, vindt niets — en al vindt hij iets, dan vindt hij slechts beproeving.” Zo begreep ik de diepere betekenis van de hadith

 ​​طُوبٰى لِلْغُرَبَٓاءِ

en dankte ik Allah.   

 

Zo, mijn geliefde broeders, hoewel deze duistere vervreemdingen door het licht van īmān zijn verlicht, bleven zij toch enigszins hun invloed op mij uitoefenen. Zij brachten mij tot de volgende gedachte:

 

Aangezien ik een vreemdeling ben, in vervreemding leef en naar vervreemding ga, is mijn taak in dit aardse gastverblijf dan voltooid, zodat ik jullie en de Risale-i Nur kan toevertrouwen en mijn banden geheel kan verbreken?

 

Daarom had ik jullie gevraagd: “Zijn de geschreven verhandelingen van de Risale-i Nur voldoende, of vertonen zij nog tekortkomingen? Is mijn taak voltooid, zodat ik mij met een gerust hart kan overgeven aan een lichtvolle, vreugdevolle en waarachtige vervreemding, de wereld kan vergeten en, zoals Mewlānā Djelāleddīn zei,

 

دَانِى سَمَاعِ چِه بُوَدْ؟ بِى خُودْ شُدَنْ زِهَسْتِى اَنْدَرْ فَنَاىِ مُطْلَقْ ذَوْقِ بَقَا چَشِيدَنْ

Weet je wat semā is? Het is het loslaten van het eigen bestaan en, binnen de volkomen vergankelijkheid, de smaak van het voortbestaan te proeven.

 

naar een verheven vorm van vervreemding kan zoeken?”

 

اَلْبَاقِى هُوَ الْبَاقِى

 

 

 

Said Nursi