DE BRIEVEN

De Twintigste Brief

Inderdaad, bepalen vereist een Bepaler, en kiezen vereist een Kiezer. En zowel bepalen als kiezen zijn eigenschappen van de wil.

Bijvoorbeeld, het menselijk lichaam, dat als een machine opgebouwd is uit honderden werktuigen en organen, wordt geschapen uit een druppeltje vloeistof. Een vogel met haar honderden ledematen ontstaat uit een eenvoudig ei. En een boom, met zijn honderden bestanddelen, komt voort uit een eenvoudige zaadkorrel. Al deze voorbeelden wijzen niet alleen op de macht en kennis, maar met volle zekerheid ook op de alomvattende wil van hun Schepper. Want Hij geeft door Zijn wil aan elk afzonderlijk deeltje, aan elk orgaan en aan elk bestanddeel een bijzondere vorm en bekleedt het met zijn eigen karakteristieke gedaante.

Kortom, zoals de overeenkomstige lichaamsdelen van dieren – wat betreft hun eigenschappen en functies – op elkaar lijken en daarmee hetzelfde stempel van Zijn eenheid tonen; en zoals de gehele schepping onmiskenbaar bewijst dat de Schepper van alle dieren één en alomtegenwoordig is, zo bewijzen en getuigen ook de onderling verschillende gedaanten en de met wijsheid onderscheiden kenmerken – met name in de gezichtsvormen – dat hun Schepper een Heerser is Die over vrije wil beschikt. Hij doet wat Hij wil en doet niet wat Hij niet wil; Hij handelt met bedoeling en met wil.

Aangezien er voor de kennis en wil van de Heer talloze bewijzen en getuigenissen bestaan, is het ontkennen van de goddelijke wil door een deel van de filosofen, het loochenen van de qàder door sommige mensen van bid’a, de bewering van bepaalde afgedwaalden dat Allah zich niet met kleine zaken zou bezighouden, en de visie van de godloochenaars die het ontstaan van het bestaan toeschrijven aan natuur en oorzaken, niets anders dan een leugen vol grenzeloze dwaasheid die voortkomt uit afdwaling. Want wie grenzeloos vele betrouwbare getuigenissen loochent, maakt zich schuldig aan grenzeloos vele leugens.

Besef daarom wat voor een grote vergissing het is, en hoezeer het de waarheid tegenspreekt, wanneer iemand met een bewust verstand zegt dat het bestaan door de natuur is gevormd, in plaats van dat het door

Het tiende woord

وَ هُوَ عَلٰى كُلِّ شَىْءٍ قَدٖيرٌ

Met andere woorden, niets kan Hem zwaar vallen. Alles wat binnen de kring van imkānāt valt, kan Hij met uiterste gemak een bestaan geven. Dit is voor Hem zo gemakkelijk en zo licht, dat Hij overeenkomstig het geheim achter

​​اِنَّماَ اَمْرُهُ اِذاَ اَراَدَ شَيْئًا اَنْ يَقُولَ لَهُ كنْ فَيَكُونُ

slechts beveelt, en het komt tot stand.