DE BRIEVEN

De Zestiende Brief

Degenen die met mij in contact komen, weten dat ik niet om eerbetoon vraag; ik verafschuw die zelfs. Ik heb zelfs een zeer waardevolle vriend, die mij dierbaar is, misschien wel vijftig keer streng berispt omdat hij te veel respect betoonde.

En als hun bedoeling is om mij in een kwaad daglicht te stellen, mij in de publieke opinie belachelijk te maken en als minderwaardig af te schilderen, om daarmee de waarheden van de īmān en de Koran – waarvan ik slechts de vertolker ben – te treffen, dan is dat tevergeefs. Want de sterren van de Koran kan men niet achter een sluier verbergen. Wie zijn ogen sluit, maakt alleen voor zichzelf donker; voor anderen kan hij het geen nacht maken.

 

Het vierde punt

Antwoorden op enkele vragen die op argwaan berusten.

De eerste vraag: wereldsgezinde mensen vragen mij: “Waarvan leef jij? Hoe kom jij aan je levensonderhoud zonder te werken? Wij willen in ons land geen mensen die op een luie stoel zitten, en leven op kosten van het werk dat anderen verrichten.”

Het antwoord: ik leef van iqtisād en baraka. Ik neem van niemand ook maar iets aan dat mij in een positie van dankbaarheid en verplichting zou plaatsen, behalve van Degene die mij werkelijk van alles voorziet. En dat heb ik mij ook voor de toekomst voorgenomen.

Inderdaad, iemand die per dag van honderd munten, zelfs van veertig munten leeft, hoeft van anderen geen diensten te aanvaarden. Ik wilde niet op deze kwestie ingaan. Want het is voor mij onaangenaam een verklaring te moeten afleggen die bij sommigen misschien de indruk zou kunnen wekken dat ik zelfingenomen of egocentrisch ben. Maar aangezien wereldsgezinde mensen mij op dit punt verdacht hebben gemaakt, zeg ik het volgende:

“Van kinds af aan is het een levensprincipe van mij geweest om geen bezit van mensen te aanvaarden, zelfs geen zekāt, of salaris aan te nemen, omdat ik geen wereldse verplichtingen op mij wil laden omwille van een maandelijks inkomen. Alleen ben ik wel één à twee jaar lang, door de aandrang van mijn vrienden, genoodzaakt geweest het salaris van Dārul-Hikmetul-Islāmiyya te accepteren. Maar dat geld hebben wij indirect weer aan het volk teruggegeven. De mensen uit mijn geboortestreek en ook anderen die mij kennen, weten dit.