DE BRIEVEN

De Zestiende Brief

De tweede reden: ik geloof met absolute zekerheid dat deze wereld een gastenverblijf is dat snel verandert. Daarom is er voor mij geen werkelijk verschil tussen mijn geboortestreek en andere streken. Aangezien ik toch niet eeuwig in mijn geboortestreek kan blijven, levert het mij niets op om mij daarover druk te maken of om een terugkeer koste wat kost te willen bereiken. En aangezien elke plek in deze wereld slechts een soort gastenverblijf is en als de Heer van dit gastenverblijf zijn barmhartigheid aan mij toont, dan is iedereen mijn vriend en is elke plek voor mij een vriendelijk oord. Als Hij het niet toont, dan wordt elke plek mij tot last en is iedereen mijn vijand.

De derde reden: een verzoek kan alleen worden gedaan binnen het kader van de wet. Maar in de afgelopen zes jaar heeft men mij steeds naar eigen willekeur behandeld en buiten de wet geplaatst. Ik ben niet behandeld volgens de wetten voor bannelingen. Men heeft mij benaderd op een manier die mij zelfs van burgerrechten en zelfs van mensenrechten heeft uitgesloten. Daarom is het zinloos om in naam van de wet een verzoek te richten tot mensen die zichzelf niet aan de wet houden.

De vierde reden: dit jaar heeft de plaatselijke bestuurder namens mij een verzoek ingediend om mij voor enkele dagen in Bedre – een streek die tot Barla behoort – een verblijf toe te staan, enkel omwille van een verandering van lucht. Zij hebben dit verzoek niet geaccepteerd. Als een aanvraag in zo’n onbeduidende zaak wordt afgewezen, hoe zou ik mij dan nog tot zulke mensen kunnen wenden? Zo’n verzoek zou slechts een nutteloze vernedering zijn, zonder enig resultaat.

De vijfde reden: tegenover degenen die onrecht als gerechtigheid beschouwen, is het een onrecht en oneerbiedigheid tegenover het recht zelf om bij hen zijn recht op te eisen en zich tot hen te wenden. Ik wil dit onrecht en deze oneerbiedigheid tegenover het recht niet begaan.

De zesde reden: de moeilijkheden die de wereldsgezinde mensen mij aandoen, vloeien niet voort uit politieke kwesties. Zij weten immers dat ik mij niet met politiek bezighoud en dat ik de politiek ontvlucht. Integendeel bezorgen zij mij – bewust of onbewust in rekening van de ongelovigen – kwellingen en moeilijkheden, vanwege mijn verbondenheid met het geloof. Aangezien dit zo is, zou het mij tot hen wenden een uitdrukking zijn van spijt ten opzichte van de religie en een vorm van tolerantie tegenover de houding van de ongelovigen.

Als ik mij tot hen zou wenden en daarbij in zekere zin een knieval zou maken, dan zou de rechtvaardige qàdèr mij via hun onrechtvaardige handen bestraffen. Want zij onderdrukken mij vanwege mijn gehechtheid aan het geloof; en vanuit de qàdèr word ik bestraft omdat mijn religieuze leven en mijn oprechtheid tekorten hebben, en ik mij soms bij wereldsgezinde mensen goed wilde gedragen.

Aangezien dit zo is, is er voorlopig geen ontsnapping aan deze beproeving. Als ik mij wend tot de wereldsgezinde mensen, dan zegt qàdèr tegen mij: “Jij huichelaar, onderga nu de straf voor het feit dat jij je tot hen hebt gewend!” En als ik mij niet tot hen wend, dan zeggen de wereldsgezinde mensen: “Je erkent ons niet. Blijf dan maar in je moeilijkheden achter!”