DE BRIEVEN
De Zestiende Brief
De achtste reden waarom ik me niet heb aangemeld:
Volgens het beginsel “de uitkomst van ongeoorloofde liefde is meedogenloze vijandschap” tuchtigt het rechtvaardige qàderDe goddelijke lotsbeschikking; de pre-eeuwige kennis van Allah, waarin zich alles met al haar eigenschappen en toestanden bevindt voordat het nog tot stand wordt gebracht. mij via de wrede handen van deze wereldsgezinde mensen, naar wie ik mij heb toegekeerd terwijl zij dat in werkelijkheid niet waard waren. Daarom zeg ik dat ik deze beproeving verdien, en ik zwijg.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog heb ik mij twee jaar lang als vrijwillig commandant van een regiment ingezet en gestreden. Met de waarderingen en aanbevelingen van de opperbevelhebber en van Enver Pasja heb ik mijn waardevolle studenten en vrienden opgeofferd. Ik ben gewond geraakt en vervolgens krijgsgevangen gemaakt.
Na mijn vrijlating uit de gevangenschap heb ik mijzelf opnieuw in gevaar gebracht door geschriften zoals Khutuwātul-Sitta (“De Zes Stappen”) en heb ik tegelijk de Engelsen uitgedaagd toen zij Istanbul bezet hielden. Zo heb ik toen hen geholpen die mij nu kwellen, lastigvallen en zonder enige reden gevangenhouden. En zo belonen zij mij vandaag, op hun manier, voor die hulp.
Alle moeilijkheden en leed die ik drie jaar lang in Russische gevangenschap heb doorstaan, hebben mijn zogenaamde vrienden hier in drie maanden tijd doen ondergaan. Terwijl de Russen mij beschouwden als een meedogenloze Koerdische vrijwilligerscommandant die Kozakken en gevangenen afslachtte, hadden zij mij toch niet verboden les te geven. In die tijd heb ik het merendeel van de negentig officieren, die mijn kameraden aan het front waren geweest, onderwezen.
Op een dag kwam de Russische commandant binnen en luisterde naar mij. Omdat hij geen Turks verstond, dacht hij dat ik politieke instructie gaf. Daarom verbood hij het mij eerst, maar later gaf hij mij opnieuw toestemming. Bovendien hadden wij in dezelfde kazerne een ruimte als moskee ingericht, waar ik als imam heb gediend. Zij hebben ons daarin nooit gestoord en ons de mogelijkheid tot contact met anderen niet ontnomen.
Deze zogenaamde vrienden van mij daarentegen hebben mij niet drie, maar zes jaar lang gevangengehouden en mij van elke vorm van omgang uitgesloten, hoewel zij mijn landgenoten en medegelovigen zijn voor wie ik mij juist heb ingezet om hen op het gebied van īmānHet geloven in de zes pilaren van het geloof (het bestaan en de eenheid van Allah, de hemelse geschriften, de profeten, de engelen, het hiernamaals en de goddelijke lotsbeschikking). voordeel te bezorgen, en die weten dat ik mij niet voor politiek interesseer en mij niet met wereldse zaken bezighoudt.
Hoewel mijn papieren in orde waren, hebben zij mij het onderwijzen verboden, zelfs mijn privélessen in mijn eigen kamer ontzegd en mij van de buitenwereld afgeschermd. Zij hebben zelfs mijn mesdjidMoskee., die ik eigenhandig had opgeknapt en waarin ik vier jaar als imam had gediend, ondanks mijn certificaten van mij afgenomen.