DE BRIEVEN

De Zestiende Brief

Het antwoord: de eerdergenoemde punten zouden jullie in dit opzicht al voldoende zekerheid moeten geven. Bovendien heb ik mij ook niet met jullie zaken bemoeid toen ik nog in mijn geboortestreek leefde, te midden van mijn studenten en mijn familie die mij op mijn woord volgden, en terwijl de gebeurtenissen van die tijd nog opwindend en meeslepend waren.

Inderdaad, het zou nu, in alle opzichten, pure waanzin zijn om te veronderstellen dat iemand – die als eenzame balling leeft; die behoeftig, machteloos en met zijn hele inzet naar het hiernamaals gericht is; die van alle berichtgeving en communicatie is afgesneden; die slechts enkele vrome vrienden heeft met betrekking tot geloof en hiernamaals; die alle anderen als vreemden beschouwt, en door anderen ook als vreemd wordt gezien – zich alsnog zou gaan bemoeien met jullie nutteloze en gevaarlijke wereld.

 

Het vijfde punt

Dit punt betreft vijf korte kwesties.

De eerste kwestie

Wereldsgezinde mensen vragen mij: “Waarom neem jij de levenswijze van onze beschaving, onze manier van leven en onze manier van kleden niet over? Dan ben je dus tegen ons gekant.”

Hierop zeg ik tegen hen: “Heren! Met welk recht leggen jullie mij jullie beschavingswijze op? Juist jullie hebben mij van ieder recht op civilisatie uitgesloten en mij ertoe gedwongen vijf jaar lang rechteloos in een dorp te leven, afgesneden van alle berichtgeving en communicatie. Jullie hebben alle andere bannelingen toegestaan om met hun vrienden en families samen te komen, en jullie hebben hun zelfs later vrijlatingsdocumenten gegeven. Zonder enige reden hebben jullie mij geïsoleerd en mij –op één of twee uitzonderingen na– niet toegestaan omgang te hebben met mensen uit mijn geboortestreek. Dit betekent dat jullie mij niet tot jullie eigen bevolking en landgenoten rekenen. Hoe kunnen jullie dan nog van mij verwachten dat ik de regels van jullie beschaving naleef?

Jullie hebben de wereld voor mij tot een kerker gemaakt. En aan een man die in een kerker zit, kan men zulke eisen niet stellen. Jullie hebben voor mij de deur naar de wereld gesloten. Daarentegen heb ik op de poort van het hiernamaals geklopt, en die is door de goddelijke barmhartigheid voor mij geopend.

Hoe kunnen jullie dan de chaotische gewoonten en principes van de wereld opleggen aan iemand die aan de deur van het hiernamaals staat? Pas wanneer jullie mij mijn vrijheid teruggeven en mij het recht geven om naar mijn geboortestreek terug te keren, dan pas kunnen jullie verlangen dat ik jullie principes toepas.”