DE BRIEVEN
De Zestiende Brief
De zevende reden: het is bekend dat de taak van een ambtenaar erin bestaat personen die schadelijk zijn voor het maatschappelijke leven geen ruimte te geven, en hen die nuttig zijn te ondersteunen. Terwijl ik eens een oude man – die mij als gast kwam bezoeken en al aan de poort van het graf stond – de waarheden van de īmānHet geloven in de zes pilaren van het geloof (het bestaan en de eenheid van Allah, de hemelse geschriften, de profeten, de engelen, het hiernamaals en de goddelijke lotsbeschikking). met betrekking tot
لَا اِلٰهَ اِلاَّ اللّٰهُEr is geen god dan Allah
uitlegde, kwam een ambtenaar – onder wiens toezicht ik stond – naar mij toe. Hoewel hij mij lange tijd niet had opgezocht, deed hij nu alsof hij mij op heterdaad had betrapt en alsof ik een misdaad had begaan.
De arme oude man, die mij met oprechte aandacht zat te beluisteren, werd beroofd van deze waarheden, en dat bracht mijzelf in grote verontwaardiging. Dit alles gebeurde terwijl er in de omgeving nog enkele andere mensen waren, aan wie hij – de ambtenaar – totaal geen aandacht schonk. Later, toen diezelfde mensen zich onbehoorlijk gedroegen en op een wijze handelden die het maatschappelijke leven van het dorp vergiftigde, begon hij hen juist met sympathie te benaderen en zelfs te prijzen.
Bovendien is het algemeen bekend dat een man, die voor honderd moorden in de gevangenis zit, wanneer hij dat wil met een dienstdoende ambtenaar of soldaat kan spreken. Maar al een jaar lang lopen zowel de bevelhebber als de dienstdoende ambtenaar van de nationale regering – twee hooggeplaatste personen – telkens langs de deur van mijn cel, zonder ook maar op de geringste manier met mij in contact te treden of zich om mij te bekommeren. Eerst vermoedde ik dat zij mij uit vijandigheid meden. Later werd mij duidelijk dat zij uit argwaan voor mij wegvluchtten, alsof ik hen zou willen verslinden.
Het is volkomen in strijd met het gezonde verstand en bovendien een nutteloze vernedering om een regering die uit zulke mensen is samengesteld en zulke ambtenaren in dienst heeft, nog als een regering te erkennen, haar als bevoegde instantie te zien en mij tot haar te wenden.
De Oude Said zou hierover, zoals Antera, het volgende hebben gezegd:
مَاءُ الْحَيَاةِ بِذِلَّةٍ كَجَهَنَّمَ - وَ جَهَنَّمُ بِالْعِزِّ فَخْرُ مَنْزِل۪Het in vernedering gewonnen levenswater is net zoals de hel, terwijl een hel met waardigheid voor mij een plaats wordt om trots op te zijn
De Oude Said is er niet meer. De Nieuwe Said daarentegen acht het zinloos om omgang te hebben met wereldsgezinde mensen. Hij zegt: “Moge hun wereld hen treffen! Zij mogen met mij doen wat zij willen. Op de dag van de grote afrekening, op de Dag des Oordeels, zal ik samen met hen voor de Rechter verschijnen.” En hij zwijgt.