DE BRIEVEN
De Eenentwintigste Brief
Ik verzeker je dat deze waarheid volstrekt zeker is; zelfs mijn nefsEen aspect van de ziel dat de kwaadaardige eigenschappen van een mens in zich herbergt. en de duivel hebben zich eraan moeten onderwerpen. Een waarheid die de hardnekkigheid van mijn nefsEen aspect van de ziel dat de kwaadaardige eigenschappen van een mens in zich herbergt. heeft gebroken en de duivel tot zwijgen heeft gebracht, zou ook jou moeten overtuigen.
Inderdaad, Khāliq-i zul-Djelāl-i wel-IkrāmAllah, de Schepper Wiens grootsheid, verhevenheid en vrijgevigheid grenzeloos is., Die volgens de getuigenis van het universum uiterst barmhartig, genadevol, subtiel en vrijgevig is, voorziet pasgeborenen op een subtiele wijze van voeding door het via de tepels van hun moeders te laten stromen. Op dezelfde wijze voorziet Hij ook ouderen – die vaak de gemoedstoestand van kinderen aannemen en nog meer dan kinderen tederheid en barmhartigheid nodig hebben – van levensonderhoud als een gezegend geschenk. Hij laat de verzorging van hen niet over aan hebzuchtige, gierige mensen.
اِنَّ اللّٰهَ هُوَ الرَّزَّاقُ ذُو الْقُوَّةِ الْمَتٖينُInderdaad, Allah is de Voorziener, de Bezitter van de sterkste macht. De Koran 51:58
وَكَاَيِّنْ مِنْ دَٓابَّةٍ لَا تَحْمِلُ رِزْقَهَا اَللّٰهُ يَرْزُقُهَا وَاِيَّاكُمْEn hoeveel levende wezens zijn er niet die hun eigen levensonderhoud niet dragen! Allah voorziet voor hen en voor jullie in levensonderhoud. Hij is de Alhorende, de Alwetende. – De Koran 29:60
De waarheden die door deze verzen worden uitgedrukt, worden door alle soorten levende wezens als het ware met hun toestand duidelijk verkondigd. Niet alleen het levensonderhoud van oude familieleden, maar zelfs dat van bepaalde dieren zoals katten die aan de mens als een soort vriend zijn geschonken en waarvan het onderhoud mee opgenomen is in het levensonderhoud van de mens, komt als een gezegend geschenk. Een voorbeeld dat dit bevestigt en dat ik zelf heb meegemaakt:
Mijn naaste vrienden weten dat mijn dagelijkse rantsoen gedurende twee à drie jaar uit slechts een half brood[1] bestond, wat meestal niet voldoende was. Toen kwamen er vier katten bij mij als gasten. Datzelfde rantsoen was voortaan zowel voor mij als voor hen toereikend; meestal bleef er zelfs nog iets over.
Deze situatie herhaalde zich zo vaak dat ik tot de vaste overtuiging kwam dat ik baat had van het gezegende geschenk die met de katten verbonden was. Met zekerheid verklaar ik dat zij mij geen last werden en mij geen dank verschuldigd waren. Integendeel, ik was hun dank verschuldigd!
- Het brood in dit dorp was gering van omvang. ↩︎