DE BRIEVEN

De Twaalfde Brief

DE TWAALFDE BRIEF

بِاسْمِهٖ سُبْحَانَهُ

وَ اِنْ مِنْ شَىْءٍ اِلَّا يُسَبِّحُ بِحَمْدِهٖ 

اَلسَّلَامُ عَلَيْكُمْ وَ عَلٰى رُفَقَائِكُمْ

Het antwoord op drie vragen.

 

Mijn eerbiedwaardige broeders,

Jullie hebben mij die nacht een vraag gesteld waarop ik toen geen antwoord gaf, omdat het ongeoorloofd is geloofskwesties te behandelen alsof het onderwerpen voor een discussie of debat zijn. Maar aangezien jullie er desondanks onderling een soort discussie van hebben gemaakt, schrijf ik nu korte antwoorden op de drie vragen waarover jullie spraken. De uitvoerige toelichtingen kunnen jullie terugvinden in de hoofdstukken van De Woorden die door de apotheker zijn gemarkeerd.

Het Zesentwintigste Woord over de qàder en de menselijke vrije wil was mij toen niet te binnen geschoten. Lees ook dat deel, maar lees het niet als een krant! Zulke kwesties vloeien namelijk voort uit een verzwakte overtuiging in de steunpilaren van de īmān. Daarom heb ik de apotheker aangeraden deze verhandelingen uit de Risale-i Nur aandachtig te lezen. Zij vormen een absoluut bewijs voor de steunpilaren van de īmān.

 

Jullie eerste vraag

Wat is de wijsheid achter de uitzetting van Ādem (as) uit het paradijs, en dat een deel van de mensheid tot de hel wordt verwezen?

Het antwoord: de wijsheid ligt in de taken en doelen die met deze gebeurtenissen verbonden zijn. Ādem (as) werd aangesteld voor een taak waarvan het resultaat de volledige geestelijke ontwikkeling, ontplooiing en verheffing van de menselijke vermogens omvat. Dit maakt van de mens een alomvattende spiegel waarin alle goddelijke namen kunnen verschijnen.

Als Ādem (as) in het paradijs was gebleven, zou zijn positie – net als die van een engel – vast en stabiel zijn gebleven; zijn wezenlijke menselijke vermogens zouden zich niet hebben kunnen ontwikkelen. Bovendien zijn engelen, die permanent op een vast niveau verkeren, zeer talrijk in aantal. Voor dat soort dienaarschap is de mens niet noodzakelijk.

Maar de goddelijke wijsheid vereist een plaats van beproeving die past bij de vermogens van de mens, die geschapen is om oneindig veel niveaus te kunnen stijgen. Daarom werd de mens, anders dan de engelen, na de bekende misstap, die deels uit zijn aard voortkwam, uit het paradijs gestuurd. Deze uitzetting is daarom pure wijsheid en pure barmhartigheid.

En dat ongelovigen naar de hel worden verwezen, is terecht en volledig rechtvaardig. Zoals in de derde opmerking van Het Tiende Woord is vermeld, begaat de ongelovige in zijn korte leven een enkele zonde, waarin een grenzeloze misdaad besloten ligt.

Ongeloof is immers inhoudelijk een belediging ten opzichte van de gehele schepping, een reducering van haar waarde, een verloochening van alle kunstzinnig geschapenen die de eenheid van Allah getuigen en een vernedering van de namen van Allah, waarvan de manifestaties zichtbaar zijn in de spiegels der schepping.

Om de rechten van de gehele schepping terug te nemen van de ongelovigen, werpt Qahhār-i zul-Djelāl, Die de Sultan van de schepping is, hen voor eeuwig in de hel. Want een oneindige misdaad vereist een oneindige bestraffing.