DE BRIEVEN

 

 

DE VIJFDE BRIEF

 

بِاسْمِهٖ سُبْحَانَهُ

وَ اِنْ مِنْ شَىْءٍ اِلَّا يُسَبِّحُ بِحَمْدِهٖ

 

Imam Rabbānī (ra), een grote held en één van de stralende zonnen in de keten van de Naqshī-orde, heeft in zijn Mektūbāt gezegd:

 

“Ik verkies de onthulling van één kwestie van de geloofswaarheden boven duizenden verheven genietingen, extases en kerāmāt.”

 

Ook zei hij: “Het uiteindelijke doel van alle tarīqa’s is de verduidelijking en onthulling van de geloofswaarheden.”

 

Verder zei hij: “Welāya kent drie soorten. De eerste is welāyet-i sughrā, de bekende en meest voorkomende vorm van welāya. De tweede is welāyet-i wustā en de derde is welāyet-i kubrā. Bij welāyet-i kubrā wordt via de erfenis van profeetschap, zonder de weg van het soefisme te betreden, een directe weg naar de waarheid geopend.”

 

Voorts zei hij: “In de Naqshī-orde reist men met twee vleugels tegelijk, namelijk met een standvastig geloof in de geloofswaarheden en met het naleven van de religieuze verplichtingen. Wanneer één van deze vleugels gebrekkig is, dan is vooruitgang op deze weg onmogelijk.”

 

Daarom kent de Naqshī-orde drie lagen:

 

De eerste en voornaamste is het rechtstreeks dienen van de geloofswaarheden — een weg die ook Imam Rabbānī (ra) aan het einde van zijn leven volgde.

 

De tweede is het dienen van de religieuze verplichtingen en de soenna van de Profeet (saw) onder de sluier van de tarīqa.

 

De derde is het zuiveren van de ziekten van het hart door middel van het soefisme en het bewandelen van het pad met het hart.

 

De eerste heeft de status van verplichting, de tweede die van noodzakelijkheid en de derde die van aanbeveling.

 

Aangezien dit zo is, meen ik dat indien grootheden als Sjeik Abdulqādir Ghilāni (ra), Sjah Naqshbandī (ra) en Imam Rabbānī (ra) in deze tijd zouden leven, zij al hun inspanningen zouden richten op het versterken van de geloofswaarheden en de islamitische geloofsleer. Want deze vormen de grondslag van het eeuwige geluk. Indien daarin tekort wordt geschoten, leidt dat tot eeuwige ellende.