DE BRIEVEN

De Zestiende Brief

Het verhaal over de katten doet mij denken aan het verhaal van de kip. Ik heb namelijk een kip die mij gedurende de winter, met slechts zeer zeldzame onderbrekingen, elke dag als een eiermachine een ei schonk uit de schatkamer van de goddelijke barmhartigheid. Op een dag legde die kip zelfs twee eieren. Ik was verbaasd en vroeg mijn vrienden: “Kan zoiets gebeuren?” Zij zeiden: “Misschien is het een goddelijke gunst.”

In de zomer heeft deze kip vervolgens een kuiken uitgebroed. Dit kuiken begon aan het begin van de gezegende maand Ramadan eieren te leggen, en ging daarmee veertig dagen lang door. Noch ik, noch degenen die mij bijstaan, twijfelden eraan dat deze gezegende omstandigheid – omdat het kuiken nog klein was, en dan ook nog midden in de winter en in Ramadan – een goddelijk geschenk van de Heer was. En toen de moeder ophield met eieren leggen, begon het jong onmiddellijk te leggen en liet hij mij niet zonder eieren.

De tweede vraag: wereldsgezinde mensen vragen mij:

“Hoe kunnen wij erop vertrouwen dat jij je niet met onze wereldse zaken zult bemoeien? Als wij jou vrijlaten, zal jij je misschien bezighouden met onze wereldse zaken. Hoe moeten wij bovendien weten wat jij met jouw sluwheid in je schild voert? Hoe moeten wij weten of jij met jouw handigheid misschien niet doet alsof je de wereld hebt verlaten en de goederen van het volk niet openlijk aanneemt, maar dat stiekem toch doet?”

Het antwoord: twintig jaar geleden ben ik voor een krijgsraad gebracht. Al vóór die tijd, in de periode van de constitutionele monarchie, waren mijn toestand en levenswijze bij velen bekend. Ook toont mijn verdediging voor de krijgsraad –met de titel “Getuigschrift van de twee scholen van beproeving”– onomstotelijk aan dat ik mijn leven zo heb doorgebracht dat ik mij niet alleen van sluwheid, maar zelfs van de geringste vorm van listigheid heb verre gehouden.

Als er sprake was geweest van een dergelijke sluwe handelswijze, dan zou in de afgelopen vijf jaar beslist met vleierij om gunsten zijn verzocht. Want een sluwe man maakt zichzelf bij anderen geliefd, hij houdt zich niet in, heeft altijd een strekenboek in zijn hand en probeert voortdurend te bedriegen en te verschalken. Ik daarentegen heb mij, ondanks zware aanvallen en felle kritiek, nooit verlaagd tot enige onwaardigheid met een tegenreactie. Ik heb

تَوَكَّلْنَا عَلَى اللّٰهِ

gezegd en de wereldsgezinde mensen de rug toegekeerd.

Bovendien, wie het hiernamaals kent en de werkelijkheid van deze wereld doorziet, zal zich niet betreuren. Hij zal zijn gezicht niet opnieuw naar deze wereld wenden en zal haar niet najagen. Na vijftig jaar in deze wereld zal een mens, die zich geheel heeft teruggetrokken en niet geïnteresseerd is in wereldse zaken, zijn eeuwige leven niet opofferen voor één of twee jaar leeg gepraat en politieke kwakzalverij. Als hij dat wel zou doen, dan zou hij in geen geval sluw zijn, maar juist een krankzinnige dwaas. Wat zou er dan van zo’n krankzinnige dwaas kunnen uitgaan, dat het de moeite waard zou zijn om zich met hem en zijn ideeën bezig te houden?