DE BRIEVEN

De Achtiende Brief

Luister naar de volgende gelijkenis, die deze waarheid verduidelijkt:

Er waren eens onder de ewliyā’s twee herders. Zij molken de melk in een houten kuip en zetten deze naast zich neer. Zij legden hun rietfluit op deze melkkuip. Eén van hen zei: “Ik heb slaap,” en ging liggen. Hij sliep enige tijd. De ander keek aandachtig naar zijn slapende vriend en zag iets als een vlieg uit zijn neus naar buiten kroop. Dat kleine wezen keek naar de melkkuip, ging vervolgens de fluit binnen, kwam er aan de andere kant weer uit, kroop in een gat onder een doornstruik en verdween.

Na enige tijd kwam het weer vanonder de doornstruik tevoorschijn, kroop opnieuw door de fluit heen, en keerde via de fluit terug naar de neus van de slapende herder. De man ontwaakte en zei: “Broeder, ik heb een wonderlijke droom gezien!” Zijn vriend antwoordde: “Moge Allah het voor jou tot iets goeds laten resulteren. Wat heb je gezien?” Daarop vertelde hij: “Ik zag een zee van melk. Daarover lag een merkwaardige brug die aan de bovenzijde was overdekt en het was voorzien van vensters. Ik stak die brug over en kwam bij een woud van eikenbomen waarvan alle toppen spits waren. Daaronder zag ik een grot. Ik ging naar binnen en vond een schat vol goud. Wat betekent dit?”

Zijn wakkere vriend antwoordde: “De zee van melk die jij hebt gezien is deze houten kuip hier. De brug is onze fluit. Het woud van eikenbomen met spits toelopende toppen is die doornstruik daar, en de grot is dat kleine gat eronder. Geef mij een houweel, dan zal ik je ook de schat nog laten zien!” Hij haalde een houweel en begonnen samen onder de doornstruik te graven. Zij vonden daaronder zoveel goudstukken dat het hen beiden in deze wereld tevredenstelde en welvaart bracht.

Wat de slapende herder in zijn droom had gezien, was in wezen juist. Maar omdat hij, terwijl hij droomde, niet in staat was nuchter te oordelen en geen onderscheid kon maken tussen de materiële wereld en de spirituele wereld, was zijn oordeel gedeeltelijk onjuist, en zei hij: “Ik heb daadwerkelijk een zee gezien.” De herder die wakker was gebleven, kon wel onderscheid maken tussen de materiële en de spirituele wereld en had daarom het recht om de droom uit te leggen. Hij zei: “Wat jij hebt gezien is waar, maar het was geen echte zee. Onze melkkuip is in jouw verbeelding als een zee verschenen, de fluit als een brug, enzovoorts.”

Dit alles houdt in dat men de materiële wereld en de spirituele wereld van elkaar moet onderscheiden. Wanneer men die twee met elkaar vermengt, worden de oordelen en uitspraken die men doet onjuist.

Stel bijvoorbeeld dat je een kleine kamer hebt waarvan de vier muren geheel met grote spiegels zijn bedekt. Wanneer jij deze kamer binnenkomt, lijkt die kleine kamer zo ruim als een plein. Als je zegt: “Mijn kamer lijkt zo groot als een plein,” dan spreek je waarheid. Maar als je zegt: “Mijn kamer is zo groot als een plein,” dan vergis je je en is je oordeelt onjuist. Want dan verwar je de beeldenwereld met de werkelijke wereld.