DE BRIEVEN
De Zestiende Brief
Boven mijn hoofd voeden de wereldsgezinde mensen zich op buitensporige wijze met volledig verkeerde voorstellingen, waardoor zij mij als het ware vrezen. Zij beelden zich in dat ik iemand zou zijn die ik in werkelijkheid helemaal niet ben. Zij veronderstellen dat ik de waardigheid van een sjeik bezit, de positie van een stammenleider bekleed, over vele aanhangers beschik, van plan ben mij met wereldse zaken bezig te houden, de intentie heb om mij met de politiek te bemoeien en zelfs aan de kant van de oppositie sta. Terwijl al deze veronderstellingen niets met mij te maken hebben, blijven zij desondanks in argwaan verkeren.
Zij zijn zelfs zo ver gegaan dat zij mij vrijwel van alles hebben uitgesloten en weerhouden, terwijl zij nu zitten te bespreken om amnestie te verlenen aan degenen die nog in de gevangenis zitten of al zijn vrijgelaten, hoewel diegenen volgens henzelf vaak helemaal geen aanspraak op amnestie zouden mogen maken.
Eens heeft een vergankelijke man met een slechte reputatie de volgende mooie, blijvende woorden gezegd:
Als onrecht zijn kanonnen, zijn kogels en zijn forten heeft;
heeft waarheid haar onbuigzame arm, haar niet wijkende/standvastige gelaat.
Dienovereenkomstig zeg ik:
Al hebben wereldsgezinde mensen soevereiniteit, pracht en kracht;
bezit de dienaar van de Koran, met haar zegening:
kennis die niet dwaalt, woord dat niet zwijgt,
hart dat niet faalt, licht dat niet dooft.
Velen van mijn vrienden hebben mij, evenals de commandant die over mij waakte, herhaaldelijk gevraagd: “Waarom dien jij geen verzoek in om een vrijlatingsdocument te verkrijgen?”
Mijn antwoord: er bestaan zeven à acht redenen waarom ik zo’n verzoek niet indien en ook niet kan indienen.
De eerste reden: Ik bemoei mij niet met de wereldse zaken van de wereldsgezinde mensen, opdat ik niet in hun schuld kom te staan en mij niet tot hen hoef te wenden. Ik ben een schuldenaar tegenover de qàderDe goddelijke lotsbeschikking; de pre-eeuwige kennis van Allah, waarin zich alles met al haar eigenschappen en toestanden bevindt voordat het nog tot stand wordt gebracht. en heb mijn fouten bij haar ingediend; ik wend mij tot haar.