DE BRIEVEN

De Achtiende Brief

DE ACHTTIENDE BRIEF

Deze brief bevat drie belangrijke vraagstellingen.

بِاسْمِه۪ سُبْحَانَهُ

وَ اِنْ مِنْ شَىْءٍ اِلَّا يُسَبِّحُ بِحَمْدِهٖ

 

De eerste belangrijke vraagstelling

Beroemde ewliyā’s als Muhyiddīn-i Arabī (ks), de auteur van ‘Futūhātul-Mekkiyya’ (De opening van de Islamitische wereld), en Seyyid Abdulkerim (ks), de auteur van ‘Insānul-Kāmil’ (De volmaakte mens), spreken over de zeven lagen van de aardbol, over de witte aarde achter de berg Qaf, en over een wonderlijke wereld die in ‘Futūhātul-Mekkiyya’ als ‘Meshmeshiyya’ wordt genoemd, en zij verklaren dat zij deze gezien hebben.

Is datgene waarvan zij melding maken waar, terwijl deze plaatsen toch geen locatie hebben op onze aarde? Bovendien worden zij noch door de geografie, noch door andere wetenschappen bevestigd. En als deze vermeldingen niet waar zouden zijn, hoe kunnen deze mensen dan nog als ewliyā’s worden beschouwd? Hoe kunnen zij nog als waarheidsgetrouwe mensen worden gezien, terwijl hun beschrijvingen in strijd lijken met de werkelijkheid en niet met de feiten overeenkomen?

Het antwoord: zij zijn waarheidsgetrouwe mensen, en behoren tot de ewliyā’s en ehl-i shuhūd. Wat zij hebben gezien, hebben zij werkelijk gezien. Maar omdat zij zich bevonden in een toestand waarin zij geen allesomvattende aanschouwing hadden – vergelijkbaar met een droomtoestand – hebben zij bij het verwoorden en duiden van wat zij zagen niet altijd het volledige recht gehad om daar definitieve oordelen aan te verbinden. Daardoor zijn hun verklaringen op sommige punten gedeeltelijk onjuist.

Zoals iemand zijn eigen droom niet kan interpreteren terwijl hij die droomt, zo kunnen ook sommige ehl-i kashf en shuhūd hun eigen waarnemingen niet juist interpreteren, terwijl zij zich nog in die staat keshfiyat bevinden. Degenen die deze wel kunnen verklaren en interpreteren worden asfiyā genoemd; muhaqqiqīn die de erfgenamen van de profeten zijn. Wanneer zulke waarnemers onder de ewliyā’s de rang van asfiyā’s bereiken, herkennen zij hun vergissingen aan de hand van de rechte leiding van de Koran en de soenna, en kunnen zij die corrigeren. En dat hebben zij ook gedaan.