DE FLITSEN

 

 

بِسْمِ اللّٰهِ الرَّحْمٰنِ الرَّحٖيمِ

 

Terwijl ik door het venster van de gevangenis, tijdens een uiterlijk vrolijke maar innerlijk duistere feestviering, met de lens van bezorgdheid om de toekomst en van vooruitziend inzicht in de uiteindelijke afloop de lachende maar in wezen te bewenen toestanden van de mensheid aanschouwde, ontvouwde zich voor het oog van mijn verbeelding de volgende toestand:

 

Zoals men in de bioscoop de levensomstandigheden ziet van degenen die in vroegere tijden leefden en inmiddels op de begraafplaats liggen, zo leek het mij alsof ik de bewegende lijken zag van hen die in een nabije toekomst tot de bewoners van de begraafplaats zullen behoren. Ik weende om hen die lachten. Plotseling kwam er een huivering en een gevoel van medelijden over mij heen. Ik keerde terug tot mijn verstand en vroeg de waarheid: “Wat is deze verbeelding?”

 

De waarheid zei:

 

Over vijftig jaar zullen een tiende van deze arme mensen, die nu zo uitbundig lachen en zich vermaken, rondlopen als zeventigjarige grijsaards met een gebogen rug; negen tiende van hen zullen dan al op de begraafplaats liggen. Die mooie gezichten en die vrolijke lach zullen in hun tegendeel zijn veranderd.

 

En omdat — volgens de regel ‘alles wat komt, is nabij’ — het in zekere zin waar is om datgene wat nog moet komen te beschouwen als reeds gekomen, is wat jij ziet zeker geen verbeelding.

 

Aangezien dergelijke achteloze wereldse lach slechts een sluier vormt voor zulke meelijwekkende en te betreuren toestanden, en bovendien tijdelijk en aan vergaan onderhevig is, zijn het ongetwijfeld de vreugden die — binnen het wettige kader — tot dankbaarheid leiden, Allah niet doen vergeten en zonder achteloosheid en zonde worden beleefd, en de blijdschappen die wat hun beloningszijde betreft blijvend zijn, die het naar eeuwigheid verlangende hart en de naar voortbestaan neigende ziel van de hulpeloze mens werkelijk laten lachen en zich verheugen.

 

Daarom is er in de overleveringen een zeer krachtige aansporing tot het gedenken van Allah en tot dankbaarheid, opdat men op feestdagen niet door achteloosheid wordt meegesleept en afglijdt naar het ongeoorloofde, en opdat men door middel van die gaven van vreugde en blijdschap zijn dankbaarheid toont en die gunsten daardoor bestendigt en vermeerdert. Dankbaarheid leidt immers tot vermeerdering van de gunst, terwijl achteloosheid haar doet verdwijnen.

 

Said Nursi