DE BRIEVEN

De Vijftiende Brief

Daardoor waren zij, bewust of bewust, in een toestand terechtgekomen waarin zij er innerlijk de voorkeur aan gaven om wraak te nemen op de Islamitische heerschappij. Om die reden heeft een deel van de intelligente en intrigante huichelaars, onder wie ook joden, de gelegenheid aangegrepen die de toenmalige maatschappelijke situatie hun bood.

Dit houdt in dat het voorkomen van die gebeurtenissen destijds alleen mogelijk was door de maatschappelijke verhoudingen te hervormen en de verschillende standpunten te verbeteren, en niet door enkel één of twee opstandelingen te ontmaskeren.

Indien er wordt gesteld: hoewel Omar (ra) vanaf zijn preekstoel riep tot zijn commandant Sāria, die zich op een afstand van een maandreis bevond: “O Sāria! De berg, let op de berg!” en kon bewerkstelligen dat Sāria hem hoorde, en op deze wonderbaarlijke wijze een strategische zege behaalde, wat het niveau van zijn welāya bewijst, waarom kon hij zijn moordenaar Fīrūz dan niet opmerken, terwijl deze zich toch vlak naast hem bevond?

Het antwoord: wij zullen deze vraag beantwoorden met het antwoord van Yāqūb (as). Men vroeg namelijk aan Yāqūb (as): “Waarom kon jij de geur van Yūsuf (as) wel waarnemen op het overhemd dat uit Egypte werd meegebracht, maar hem niet waarnemen toen hij in de waterput van Kanaän was, terwijl hij zich toen in jouw nabijheid bevond?”

Hij gaf als antwoord: “Onze situatie lijkt op die van bliksems. Soms zijn ze zichtbaar, en soms blijven ze verborgen. Er zijn momenten waarop wij ons op een hoge positie bevinden, alsof wij overal om ons heen kunnen zien. En er zijn momenten waarop wij zelfs de wreef van onze eigen voet niet kunnen zien.

Kortom, hoezeer de mens ook de keuze van zijn handelswijze tracht te bepalen, is de wil van Allah beslissend, zoals verkondigd wordt in het vers

​​وَمَا تَشَٓاؤُنَ اِلَّآ اَنْ يَشَٓاءَ اللّٰهُ

De goddelijke wil houdt de menselijke wil terug. Deze bevestigt de uitspraak

​​اِذَا جَٓاءَ الْقَدَرُ عُمِىَ الْبَصَرُ

Met andere woorden, “Wanneer de goddelijke wil spreekt, zwijgt de menselijke wil.”

 

Jouw tweede vraag

Wat waren de wijsheden achter de oorzaken van de oorlogen die ten tijde van Ali (ra) hebben plaatsgevonden? Hoe moeten wij degenen beoordelen die aan zulke oorlogen hebben deelgenomen, zowel degenen die hebben gedood als degenen die zijn gedood?

Het antwoord: de strijd van Talha, Zubeyr en Aisha (ra) tegen Ali (ra), die men ‘het Voorval van de Kameel’ noemt, was in wezen een botsing tussen twee vormen van oordeel, namelijk adālet-i mahza en adālet-i izāfiyya. Het is als volgt: