DE BRIEVEN

De Tweeëntwintigste Brief

Het slotwoord

Betreft roddelen

بِاسْمِهِ 

وَاِنْ مِنْ شَيْءٍ اِلاَّ يُسَبِّحُ بِحَمْدِهِ

In het vijfde punt van de eerste lichtstraal van de eerste vlam van Het Vijfentwintigste Woord wordt met één vers – te midden van de vele verzen die verafschuwen of verbieden – op een zesvoudige wijze aangetoond hoe afschuwelijk roddelen is. Omdat vanuit het standpunt van de Koran aangetoond wordt hoe verwerpelijk en verdorven roddelen is, heeft dit geen ruimte toegelaten voor nadere verklaringen. Inderdaad, in aansluiting op deze verklaring van de Koran kan geen nadere verklaring meer afgegeven worden, noch is er behoefte aan.

Het vers

اَيُحِبُّ اَحَدُكُمْ اَنْ يَاْكُلَ لَحْمَ اَخ۪يهِ مَيْتًا

verbiedt in zes opzichten zowel het kleineren van anderen als het roddelen over hen.

Wanneer dit vers zich richt tot de personen die betrokken zijn bij roddelen, komt daaruit de volgende betekenis naar voren:

Het is bekend dat de ء (hamza) aan het begin van het vers de betekenis van een vraagstelling heeft. Het heeft afzonderlijk betrekking op elk woord in het vers en verleent aan elk woord een verborgen oordeel.

Ten eerste: met de ء (hamza) wordt gevraagd: “Heeft jullie verstand zijn rede verloren, waardoor jullie een dergelijk afschuwelijke zaak niet begrijpen?”

Ten tweede: met het woord

يُحِبُّ

wordt gevraagd: “Is jullie hart, de zetel van liefde en haat, zo verdorven dat jullie zoiets walgelijks liefhebben?”

Ten derde: met het woord

اَحَدُكُمْ

wordt gevraagd: “Wat mankeert er aan jullie maatschappelijke leven en beschaving, die juist door saamhorigheid tot stand komen, dat jullie een dergelijke vergiftigende handeling voor jullie leven accepteren?”

Ten vierde: met de woorden

اَنْ يَاْكُلَ لَحْمَ

wordt gevraagd: “Wat is er gebeurd met jullie menselijkheid, waardoor jullie in staat zijn als roofdieren met jullie tanden jullie vrienden te verscheuren?”

Ten vijfde: met het woord

اَخ۪يهِ

wordt gevraagd: “Hebben jullie dan helemaal geen medemenselijkheid of gevoel voor familiebanden, waardoor jullie meedogenloos de persoonlijkheid van een onschuldige, die in vele opzichten jullie broeder is, verscheuren? En hebben jullie helemaal geen verstand, waardoor jullie als waanzinnigen met jullie eigen tanden in jullie eigen ledematen bijten?”