DE BRIEVEN

De Tweede Brief

De vierde: tewekkul, qanāa en iqtisād (vertrouwen op Allah, tevredenheid en zuinigheid) vormen een schat en rijkdom die door niets kan worden vervangen. Ik zou geen goederen van mensen willen aannemen en mijzelf daarmee de toegang tot deze onuitputtelijke schatten willen ontzeggen. Ik dank Razzāq-i zul-Djelāl vele honderdduizenden malen dat Hij mij vanaf mijn kindertijd nooit in een toestand van nood heeft gebracht waarin ik mij gedwongen voelde een beroep te doen op de gunsten van mensen en mezelf zo aan vernedering bloot te stellen. Vertrouwend op Zijn vrijgevigheid, smeek ik om Zijn barmhartigheid dat Hij mij de rest van mijn leven in overeenstemming met dit principe laat volharden.

De vijfde: sinds één à twee jaar ben ik, door vele aanwijzingen en ervaringen, tot de vaste overtuiging gekomen dat het mij niet is toegestaan de geschenken van mensen – en in het bijzonder die van rijken en ambtenaren – aan te nemen. Soms maken zulke geschenken mij lichamelijk onwel; zij benauwen en kwellen mij; en soms nemen zij zelfs een zodanige vorm aan dat zij voor mij schadelijk worden. Dit betekent dat er voor mij geestelijk gezien een bevel bestaat om het bezit van anderen niet aan te nemen, en een verbod om het te ontvangen.

Bovendien is er in mij een zekere terughoudendheid, waardoor ik niet iedereen op elk moment kan ontvangen. Als ik eenmaal de geschenken van mensen zou aanvaarden, dan zou ik hun gevoelens moeten sparen, hen moeten ontvangen ook wanneer ik dat niet wil, en dat bevalt mij niet.

Ook vind ik het aangenamer om een stuk droog brood te eten en eenvoudige, versleten kleren te dragen – wat mij bevrijdt van gemaaktheid en vleierij – dan het beste gebak te eten en rijk versierde kleding te dragen die mij door anderen worden aangeboden, en daardoor verplicht te zijn hun gevoelens te ontzien. Dat staat mij tegen.

De zesde: de belangrijkste reden om geen geschenken te aanvaarden is het volgende:

Ibn Hadjar al-Asqalani, een van de meest gezaghebbende geleerden binnen onze madhab, zegt:

“Het is verboden iets aan te nemen dat jou wordt gegeven met de bedoeling dat je rechtschapen bent, als je dat in werkelijkheid niet bent.”

De mensen van deze tijd verkopen, uit hebzucht en begeerte, een klein geschenk voor een hoge prijs. Zij beschouwen een zondig mens zoals ik als rechtschapen of zelfs als een ewliyā, en geven daarop een stuk brood. Indien ik mijzelf als rechtschapen zou beschouwen, zou dat een teken van hoogmoed zijn en juist een aanwijzing vormen dat ik niet rechtschapen ben. Indien ik mijzelf daarentegen niet tot de rechtschapenen reken, dan is het mij evenmin toegestaan zulke geschenken aan te nemen.

Bovendien betekent het aannemen van aalmoezen of geschenken als tegenprestatie voor daden die op het hiernamaals gericht zijn, dat men de eeuwige vruchten van het hiernamaals in deze vergankelijke wereld op een tijdelijke wijze consumeert.

 

اَلْبَاقِى هُوَ الْبَاقِى