DE BRIEVEN

De Vijftiende Brief

Want aangezien Allah, de Heilige Heer, eeuwig is, zijn ook Zijn namen en attributen ongetwijfeld eeuwig. En aangezien Zijn namen en attributen eeuwig zijn, kan dus ook alles wat in de eeuwige wereld een eeuwig bestaan heeft en de schepselen van de eeuwige wereld – die de spiegels, verschijningsvormen en manifestaties van Zijn namen zijn – niet ten prooi vallen aan een absolute vernietiging.

Wij zullen nu op een beknopte wijze twee punten, die uit de zegening van de Koran mij te binnen zijn geschoten, op papier zetten.

Ten eerste: Allah, de Rechtvaardige, is in Zijn almacht zó absoluut, dat Hij – in overeenstemming met Zijn macht en wil – heel gemakkelijk iets in het bestaan kan roepen of aan het bestaan kan onttrekken, alsof Hij het slechts van het ene domein naar het andere verplaatst. Als Hij wil, kan Hij deze omwenteling binnen één dag of zelfs binnen één ogenblik voltrekken.

Bovendien bestaat absolute non-existentie in werkelijkheid niet, want er is een alomvattende Kennis. Er is geen enkel gebied buiten het bereik van Zijn kennis waar iets kwijt zou kunnen. Non-existentie dat binnen het bereik van Zijn kennis ligt, is slechts datgene wat in het materiële niet bestaat, maar wél binnen Zijn kennis aanwezig is; het is niets anders dan een benaming voor datgene wat een sluier vormt voor het bestaan binnen Zijn kennis. Sommige geleerden hebben datgene wat zich binnen dit kennisbereik bevindt, ayān-i sābita genoemd.

Dit houdt in dat het vergaan neerkomt op het tijdelijk afleggen van de materiële omhulling en het binnentreden in een spirituele bestaansvorm binnen de goddelijke kennis. Met andere woorden, de wezens die worden vergaan en vergankelijk zijn, geven hun materiële bestaan op en nemen in hun wezen een spiritueel bestaan aan. Zij verlaten het domein van de goddelijke macht en treden het domein van de goddelijke kennis binnen.

Ten tweede: zoals wij in vele verhandelingen van de Risale-i Nur hebben uiteengezet, hebben de schepselen volgens manā-yi ismī geen eigen waarde. Zij bezitten geen zelfstandig, op zichzelf rustend bestaan en geen blijvende realiteit die puur op henzelf gebaseerd is.

Maar volgens manā-yi harfī – dus in hun naar Allah de Rechtvaardige verwijzende aspecten – hebben zij wél waarde. Want in dat op Hem gerichte aspect kunnen wij de manifestaties van Zijn eeuwige namen aanschouwen. En juist dat aspect valt niet onder non-existentie; het draagt in zich de schaduw van een voortdurend bestaan. Het heeft een werkelijkheid, het is blijvend en verheven. Het is als een bestendige schaduw van een eeuwige naam die zich daarin manifesteert.