DE BRIEVEN

De Vijftiende Brief

Jouw derde vraag

Wat was de wijsheid achter de tragische en wrede behandelingen die deze gezegende personen hebben ondergaan?

Het antwoord: zoals hierboven is verklaard, waren er bij de leiders van de Umayyaden, de tegenstanders van Huseyn (ra), vier basisprincipes die aanleiding zijn geworden tot hun genadeloze wreedheid.

Het eerste was het genadeloze principe van de politiek: “Voor het welzijn van de regering en voor de handhaving van de orde kunnen individuen worden opgeofferd.”

Het tweede was het wrede principe van het nationalisme, waarbij hun heerschappij berustte op racisme en nationalisme: “Voor het nationale welzijn kan alles worden opgeofferd.”

Het derde was de traditionele rivaliteit van de Umayyaden tegen de Hasjemieten die in sommige figuren zoals Yezīd sterk aanwezig was. Dit gaf bij hen een aanleiding tot meedogenloze wreedheid.

En de vierde reden lag bij de groepen die zich hadden aangesloten bij Huseyn (ra). Doordat de Umayyaden de Arabische nationaliteit tot basis hadden gemaakt, beschouwden zij de individuen van andere volkeren als slaven. Omdat dit de nationale trots van anderen diep kwetste, besloten zij vanuit verwarde intenties om wraak te nemen en sloten zij zich aan bij de gemeenschap van Huseyn (ra). Deze aansluiting tastte het nationalistische fanatisme van de Umayyaden in hoge mate aan en leidde uiteindelijk tot de ons welbekende, meedogenloze en vreselijke tragedie.

Deze vier genoemde redenen zijn de ogenschijnlijke oorzaken. Wanneer men het echter vanuit het perspectief van de goddelijke wil bekijkt, dan zijn de uiteindelijke vruchten in het hiernamaals, de spirituele heerschappij en de spirituele ontwikkeling die Huseyn (ra) en zijn familieleden door deze tragedie hebben verkregen zo waardevol, dat de moeite en pijn die zij door die gebeurtenis hebben doorgemaakt in vergelijking daarmee heel licht en goedkoop zijn.

Bijvoorbeeld, als een soldaat na één uur marteling sterft en shehīd wordt, bereikt hij een rang die iemand anders pas na tien jaar strijd zou kunnen bereiken. Als men aan deze soldaat, nadat hij de rang van shuhedā bereikt, zijn toestand nog zou kunnen vragen, dan zou hij zeggen: “Ik heb met zeer weinig, zeer veel gewonnen.”