DE BRIEVEN

De Vijftiende Brief

Wat de verdenking betreft of ik de wereld uiterlijk heb verlaten maar innerlijk nog naar de wereld zou verlangen, zeg ik – in samenhang met het geheim achter het vers

وَمَٓا اُبَرِّئُ نَفْس۪ٓى اِنَّ النَّفْسَ لَاَمَّارَةٌ بِالسُّٓوءِ

– dat ik mijn nefs niet vrijpleit, want mijn nefs begeert alles wat slecht is. Maar, het vernietigen van een onvergankelijk leven en een eeuwige gelukzaligheid – op mijn gevorderde leeftijd, in deze vergankelijke wereld, in dit tijdelijke gastenverblijf en binnen een korte levensspanne – omwille van een kortstondig genot, is niet het soort logica dat bij verstandige mensen past. Aangezien het niet past bij de logica van verstandige mensen, heeft mijn nafs-i emmāra, of zij dat nu wil of niet, zich aan het verstand moeten onderwerpen.

De derde vraag: de wereldsgezinde mensen vragen mij: “Houd je wel van ons? Komen wij je wel gelegen? Als je van ons houdt, waarom ben je dan zo terughoudend en houd je je niet bezig met ons? Als jij ons niet mag, dan ben jij onze tegenstander; en wij halen onze tegenstanders neer.”

Het antwoord: als ik niet alleen jullie, maar zelfs jullie wereld liefhad, dan zou ik mij niet uit de wereld hebben teruggetrokken. Noch jullie zelf bevallen mij, noch jullie wereld, maar ik bemoei mij daar niet mee. Ik heb namelijk een ander doel; mijn hart is vervuld met andere belangen. Deze belangen laten in mijn hart geen ruimte over voor iets anders.

Jullie opdracht is om op de hand te letten en niet op het hart. Met andere woorden, jullie dienen te kijken naar wat iemand feitelijk doet. Jullie verantwoordelijkheid betreft het bestuur, de openbare orde en de veiligheid in het land. Zolang iemand zich niet met jullie zaken bemoeit, vanwaar halen jullie het recht om nog te eisen: “Jouw hart moet ons ook liefhebben”, terwijl jullie dat op geen enkele wijze waardig zijn?

Inderdaad, zoals ik nu, midden in de winter, de lente wens en verlang, maar haar niet kan doen komen en geen poging kan ondernemen om haar te brengen, zo wens ik ook verbetering in de toestand van de wereld, en ik verlang naar de redding van de wereldsgezinde mensen. Maar ik kan dat niet in daden omzetten, want het ligt buiten mijn macht. Ik kan geen feitelijke stappen zetten, omdat het noch mijn opdracht is, noch binnen mijn vermogen ligt.

De vierde vraag: de wereldsgezinde mensen zeggen tegen mij: “Wij hebben zoveel moeilijkheden meegemaakt dat wij niemand meer kunnen vertrouwen. Hoe kunnen wij er zeker van zijn dat jij je niet met onze zaken zult bemoeien zodra zich een buitengewoon gunstige gelegenheid voordoet?”