DE BRIEVEN

De Twintigste Brief

DE TWINTIGSTE BRIEF 

بِاسْمِهٖ سُبْحَانَهُ

وَ اِنْ مِنْ شَىْءٍ اِلَّا يُسَبِّحُ بِحَمْدِهٖ

بِسْمِ اللّٰهِ الرَّحْمٰنِ الرَّحٖيمِ

لَا اِلٰهَ اِلَّا اللّٰه وَحْدَه لَا شَرٖيكَ لَه لَهُ الْمُلْك وَ لَهُ الْحَمْد يُحْيٖى وَ يُمٖيت وَ هُوَ حَىٌّ لَا يَمُوت بِيَدِهِ الْخَيْرُ وَ هُوَ عَلٰى كُلِّ شَىْءٍ قَدٖيرٌ وَ اِلَيْهِ الْمَصٖيرُ

Deze zin, die de eenheid van Allah uitdrukt, waarvan de herhaling na het ochtend- en avondgebed zeer veel zegeningen brengt en die volgens een betrouwbaar overlevering het niveau van ism-i azam in zich draagt, bestaat uit elf woorden. In elk van deze woorden bevindt zich zowel een blijde boodschap als een niveau van de eenheid in Zijn heerschappij en bevat, in verband met ism-i azam, de grootsheid en volmaaktheid van Zijn eenheid.

Wij laten de uitvoerige verklaring van deze grote en verheven waarheden aan andere verhandelingen van de Risale-i Nur over, en zullen hier met een inleiding en twee hoofdstukken slechts een kort samengevatte, als een index-achtige weergave van de inhoud geven.