DE BRIEVEN

De Twintigste Brief

Het tweede woord

وَحْدَهُ

Dit woord toont een ander aspect van tewhīd (de eenheid van Allah) aan. Hier zullen wij wijzen op een bijzonder krachtige getuigenis die dit aspect overtuigend bewijst:

Wanneer wij onze ogen openen en onze blik op de schepping richten, is het eerste wat ons opvalt een universele, volmaakte ordening en een alomvattend, nauwkeurig evenwicht. Wij zien dat alles zich binnen een precieze ordening en een fijngevoelige balans bevindt.

Wanneer wij vervolgens aandachtiger kijken, valt ons telkens opnieuw een ordening en een balans op. Dit betekent dat iemand deze ordening met een volmaakte regelmaat vervormt, en deze balans met een volmaakte evenwichtigheid vernieuwt. Alles is als een model waaraan steeds weer talloze welgeordende en afgewogen vormen worden verleend.

Kijken wij nog nauwkeuriger, dan wordt achter die ordening en balans een wijsheid en een rechtvaardigheid zichtbaar. In iedere handeling wordt een doel nagestreefd en een wijsheid gerealiseerd.

En wanneer wij daarna nog een stap verder kijken, vallen ons de manifestaties op van een macht die zulke buitengewone handelingen met volmaakte wijsheid verricht, en de verschijningen van een alomvattende kennis die alles omvat met al zijn eigenschappen en hoedanigheden.

Dus, deze nauwkeurigheid en dit evenwicht in de schepping tonen ons een alomvattende ordening en balans. Deze ordening en balans wijzen ons op hun beurt op een alomvattende wijsheid en rechtvaardigheid. En deze wijsheid en rechtvaardigheid maken ons een macht en kennis kenbaar. Dit houdt in dat achter deze sluiers een Almachtige, Wiens macht alles omvat, en een Alwetende, Die alles kent, Zich bekend maakt.

Vervolgens bekijken wij het begin en het einde van alles, in het bijzonder van de levende wezens. Wij zien dat zowel hun begin, oorsprong en wortels, alsook hun vruchten en uitkomsten zodanig zijn gevormd, dat het lijkt alsof hun zaden en oorsprong in de vorm van een programma alle uitrustingen en eigenschappen reeds in zich dragen.

De kenmerken van die levende wezens worden in hun vruchten als het ware samengebracht, en hun levensgeschiedenis wordt daarin bewaard. Hun zaden, die hun oorsprong vormen, lijken op een samenvatting van hun bouwplan. En hun vruchten zijn als een index waarin hun ontwikkelingsfasen bijeen zijn gebracht.

Daarna kijken wij naar het uiterlijke en het innerlijke aspect van die levende wezens. Wij zien de werkzaamheid van een uiterst wijze macht, en de vormgeving en ordening door een uiterst doeltreffende wil. Dit houdt in dat een kracht en macht hen scheppen, en dat een bevel en wil hun vorm geven.