DE BRIEVEN
De Twintigste Brief
Voorwaar, de vergankelijkheid van dit universum is een zekere getuigenis voor deze waarheid. Want zoals de hele schepping, door haar bestaan en haar leven, getuigt[1] van het leven van Hayy-i LāyèmūtAllah, Die de Levende is, het leven schenkt en Die nooit sterft. en van het noodzakelijke bestaan van Zijn leven, zo getuigt zij ook, door haar dood en haar verval, van de eeuwigheid en onvergankelijkheid van Zijn leven.
Want nadat de schepping vervalt en verdwijnt, verschijnen er telkens nieuwe levende wezens in haar plaats. Dit toont aan dat er een Hayy-i BāqīAllah, Die over voortdurend leven beschikt, en Wiens bestaan eeuwig is. is Die onophoudelijk de manifestatie van het leven vernieuwt.
Bijvoorbeeld, waterdruppels op het oppervlak van een rivier schitteren in het zonlicht en verdwijnen, daarna komen nieuwe druppels aan en herhalen hetzelfde verschijnsel; zij lichten in groepen op en doven weer uit. Met dit oplichten en uitdoven getuigen zij van het bestaan van de bovenstaande en voortdurende zon. Zo getuigt ook de afwisseling van leven en dood in het voorbijtrekkende bestaan van de eeuwigheid en onvergankelijkheid van Hayy-i BāqīAllah, Die over voortdurend leven beschikt, en Wiens bestaan eeuwig is..
Inderdaad, de hele schepping is als een spiegel. En zoals duisternis een middel is waardoor licht zichtbaar wordt, en zoals licht feller schijnt naarmate de duisternis toeneemt, zo fungeert de schepping in vele opzichten als een spiegel door middel van tegenstellingen.
Zo is zij bijvoorbeeld in haar zwakheid een spiegel voor de macht van de Schepper, in haar armoede een spiegel voor Zijn rijkdom, en zo is zij ook in haar vergankelijkheid een spiegel voor Zijn eeuwigheid.
Inderdaad, het aardoppervlak en de machteloze bomen in de winter, en vervolgens de prachtige uitrusting en rijke versiering die zij in de lente ontvangen, zijn met buitengewone zekerheid een spiegel voor de macht en barmhartigheid van de absoluut Almachtige, Die in alle opzichten grenzeloze rijkdom bezit.
Inderdaad, het is alsof de hele schepping met hun hoedanigheid, net als Uweys el-Qarānī zijn smeekbede uitspreken:
“Yā IlāhenāO onze God! U bent onze RabHeer [Heer]. Want wij zijn Uw dienaren; wij zijn te zwak om voor onszelf te zorgen. U bent dus de Enige Die voor ons zorgt.
En U bent onze KhāliqSchepper [Schepper]. Want wij zijn Uw schepselen; wij worden geschapen.
- Het onderwerp van het twistgesprek van Ibrahīm (as) met Nimrod, over de overstap van het leven en de dood naar de opkomende en ondergaande zon, is een overstap van de dood en het leven van een individu naar de dood en het leven van alles in het algemeen. Daarmee toont hij juist de meest verhelderende en meest omvattende vorm van dit bewijs. Het is dus niet, zoals sommige exegeten hebben beweerd, het veronachtzamen van een verborgen bewijs om in plaats daarvan een zichtbaar bewijs naar voren te schuiven. ↩︎