DE BRIEVEN
De Tweeëntwintigste Brief
Het vierde principe: Mensen die haat en vijandigheid koesteren, doen onrecht aan zichzelf, hun gelovige broeders en de goddelijke barmhartigheid. Want door haat en vijandigheid ondergaan zij zelf een pijnlijke kwelling. Met het leed dat voortkomt uit het zien van de zegeningen die hun tegenstanders ontvangen en de pijn die afkomstig is uit hun eigen angst voor het potentiële kwaad dat ze kunnen ervaren van hen doen ze zichzelf onrecht aan. Als vijandigheid voortkomt uit jaloezie, dan is dat geheel een kwelling. Immers, jaloezie doet als eerste de afgunstige zelf stikken, verwoesten en branden. En degene die wordt benijd, ondervindt daarvan nauwelijks enige hinder.
De oplossing voor jaloezie: de jaloerse dient even na te denken wat jaloezie uiteindelijk oplevert. Hij zal begrijpen dat de wereldse schoonheid, macht, status en rijkdom van zijn tegenstander vergankelijk en tijdelijk zijn. De voordelen ervan zijn gering, maar de lasten ervan zijn groot. Als het gaat om eigenschappen die betrekking hebben op het hiernamaals, kan jaloezie daartegen überhaupt niet gekoesterd worden. Indien hij toch vanwege deze eigenschappen hem benijdt, is hij ofwel een schijnheilige die het bezit van het hiernamaals hier in het wereldse leven wil verwoesten, of hij beschouwt de persoon die hij benijdt als schijnheilig, waardoor hij onrechtvaardig is tegenover hem en daarmee onrecht pleegt.
Door tevreden te zijn met de tegenslagen die zijn tegenstander overkomen en verdrietig te zijn over de gunsten die hem toekomen, raakt hij verbitterd over het lot en de goddelijke barmhartigheid die zijn tegenstander begunstigen. Hij bekritiseert als het ware het lot en protesteert tegen Zijn barmhartigheid. Wie het lot bekritiseert, haalt zichzelf alleen maar ellende op de hals. En wie tegen Zijn barmhartigheid protesteert, sluit zichzelf uit van Zijn barmhartigheid.
Welke eerlijke en rechtvaardige mens zou het accepteren om een jaar lang haat en vijandschap te koesteren om iets dat zelfs geen dag vijandschap waard is? Welk onbedorven geweten kan hier nog ruimte voor vinden? Inderdaad, je kan je medebroeder niet geheel de schuld geven van een tegenslag die jou heeft getroffen en hem daardoor veroordelen. Want ten eerste heeft het lot hierin een aandeel. Je dient dit deel van het lot te accepteren en dit in tevredenheid te verwelkomen. Ten tweede dien je het aandeel van de nefsEen aspect van de ziel dat de kwaadaardige eigenschappen van een mens in zich herbergt. en de duivel af te scheiden, en in plaats van deze persoon vijandig te benaderen, dien je in afwachting dat hij berouw toont medelijden met hem te hebben omdat hij bezweken is onder zijn eigen nefs-i emmāraEen aspect van de ziel dat de kwaadaardige eigenschappen van een mens in zich herbergt.. Ten derde dien je de fouten van jezelf – die je niet ziet of wilt inzien – te herkennen en ook daar een aandeel van de schuld aan te geven.