DE BRIEVEN

De Twintigste Brief

Dus, wanneer wij de gehele schepping op deze manier zorgvuldig bekijken, dan kunnen wij ervan getuigen dat haar begin overeenkomt met een bouwplan dat naar kennis verwijst, en dat haar einde een beschrijving en een plan van een Schepper is. Haar uiterlijke is als een kunstzinnig gewaad dat door Fāil-i Mukhtār wa Murīd in wonderlijk mooie verhoudingen vorm is gegeven. Haar innerlijke is als een uiterst welgeordende machine van een Almachtige.

Deze toestand maakt noodzakelijkerwijs en volkomen duidelijk bekend dat niets – geen enkel wezen en geen enkele plaats – buiten de beheersing van Sāni-i zul-Djelāl kan vallen. Alles, zowel in zijn geheel als in elk afzonderlijk onderdeel, wordt met al zijn eigenschappen bestuurd binnen de beschikking van Qadīr-i Murīd. Zij worden verfraaid door de ordening en begunstiging van Rahmānur-Rahim, en worden versierd door de verfraaiing van Hannān-i Mennān.

Inderdaad, de orde, de balans, de regeling en de afweging in de gehele schepping tonen aan ieder die bewust en niet blind is duidelijk het bestaan van een Heer Die alomtegenwoordig, één, almachtig, willend, alwetend en alwijs is.

Voorwaar, in alles is een eenheid zichtbaar. En deze eenheid verwijst noodzakelijkerwijs naar één alomvattende Beheerder. Bijvoorbeeld, aangezien onze aarde één lichtbron heeft, namelijk de zon, heeft zij ook één Bezitter. En aangezien de dienaren van de levende wezens op aarde – zoals lucht, vuur en water – één en universeel zijn, is ook Degene Die hen allen in dienst heeft genomen en aan ons dienstbaar heeft gemaakt eveneens Eén.

 

Het derde woord

لَا شَرٖيكَ لَهُ

Aangezien wij dit woord in het eerste hoofdstuk van het Tweeëndertigste Woord op zeer nadrukkelijke en treffende wijze hebben bewezen, volstaan wij hier met een verwijzing naar dat hoofdstuk. Een verklaring die dit nog overtreft is er niet, en er bestaat geen behoefte om daaraan nog iets toe te voegen.