DE BRIEVEN
De Twintigste Brief
Inderdaad, zoals Qadīr-i zul-DjelālAllah, Die over alles de macht heeft en Wiens grootsheid en verhevenheid grenzeloos is. de enige is Die aanbeden kan worden, zo is Hij ook de enige Die het waard is om grenzeloos geprezen en verheerlijkt te worden. Zoals aanbidding uitsluitend Hem toekomt, zo behoren ook lofprijzing en verheerlijking uitsluitend Hem toe.”
Is het überhaupt mogelijk dat de Alwijze Schepper, Die de hemel en de aarde heeft geschapen, de mens – die het belangrijkste doel van de hemel en de aarde vormt en de meest volkomen vrucht van het universum is – aan zichzelf of aan oorzaken en toeval zou overlaten, en daarmee Zijn overduidelijke wijsheid tot zinloosheid zou laten vervallen? Onmogelijk!
Bijvoorbeeld, is het denkbaar dat een wijze en wetende heer een boom met grote zorg zou planten, aan deze zou vormgeven en met uiterste wijsheid zou onderhouden en opvoeden, maar vervolgens geen aandacht zou schenken aan de vruchten, die het doel en nut van die boom zijn, waardoor deze in handen van dieven verloren zouden gaan of eenvoudigweg zouden wegrotten? Uiteraard zal hij die vruchten nooit uit het oog verliezen; hij zal er steeds aandacht aan schenken. Want juist omwille van de vruchten heeft hij die boom waarde gegeven.
Inderdaad, de mens is het doel, het resultaat en de met bewustzijn begiftigde vrucht van het universum. Is het dan denkbaar dat de Alwijze Schepper van dit universum zou toelaten dat lofprijzing en aanbidding, dankbetuiging en liefde – de resultaten die juist bij de bewuste vruchten tot bloei komen – aan anderen zouden worden gegeven, en dat Hij daarmee Zijn duidelijke wijsheid tot niets zou reduceren? Of dat Hij Zijn absolute macht tot zwakheid zou laten vervallen, of Zijn alomvattende kennis tot onwetendheid zou doen ontaarden? Honderdduizendmaal onmogelijk!
Is het überhaupt mogelijk dat de dankbetuiging en aanbidding van de bewuste wezens, die bij de bouw van dit kosmische paleis in het middelpunt van de doelstelling van de Heer staan, en in het bijzonder van het mensengeslacht, dat het meest waardevolle bewuste wezen is, een ander zou toekomen dan de Schepper van dit universum? En is het mogelijk dat Sāni-i zul-DjelālAllah, Die met uiterst kunstzinnigheid schept en Wiens grootheid en verhevenheid grenzeloos is. zou toestaan dat de dankbetuiging en aanbidding, die het einddoel van de schepping vormen, aan een ander zouden worden gericht?
En is het überhaupt mogelijk dat Hij – Die door het schenken van talloze soorten gunsten de bewuste wezens ertoe brengt Hem lief te hebben, en Die door ontelbare wonderlijke kunstwerken Zichzelf aan hen bekendmaakt – geen aandacht meer zou schenken aan de dankbetuiging, aanbidding, lofprijzing, liefde, kennis en waardering van de bewuste wezens door deze over te laten aan de oorzaken en natuur, en daarmee Zijn absolute wijsheid laten verloochenen en Zijn heerschappij teniet zou doen? Honderdduizendmaal, onmogelijk!