DE BRIEVEN

De Tweeëntwintigste Brief

Antwoord op de derde stelling: als het gaat om de strijd tussen standpunten en opvattingen die gevoerd wordt in naam van gerechtigheid en omwille van de waarheid, is er eenheid met betrekking tot het doel en de essentie. Er bestaan alleen verschillen in de methoden. Door alle aspecten van de waarheid te onthullen, worden gerechtigheid en de waarheid gediend.

Wanneer het echter gaat om de strijd tussen standpunten en opvattingen die gevoerd wordt in naam van de farao-achtige nefs-i emmāra, waar mensen onoprecht en oneerlijk zijn en hun verlangens naar roem willen bevredigen, doen geen waarheidslichten schitteren, maar vuren van verwarring en tweedracht ontstoken. Immers, terwijl het noodzakelijk is eensgezind te zijn in de doelstelling, is er geen enkele opvatting te vinden in de hele wereld die overeenkomt met die van dergelijke individuen. Omdat ze niet handelen in naam van gerechtigheid en waarheid, kunnen ze geen gematigdheid handhaven, wat leidt tot onverzoenlijke verdeeldheid. De huidige wereldsituatie is hiervan een voorbeeld.

Tot slot, indien de verheven principes

اَلْحُبُّ لِلّٰهِ

وَالْبُغْضُ فِى اللّٰهِ

وَالْحُكْمُ لِلّٰهِ

niet als basisprincipes van onze handelingen worden genomen, dan zullen tweedracht en verdeeldheid hun plaatsen innemen. Inderdaad, indien men geen

وَالْبُغْضُ فِى اللّٰهِ

وَالْحُكْمُ لِلّٰهِ

zegt, als hij deze basisprincipes niet onder ogen ziet, dan zal hij onrechtvaardig handelen terwijl hij rechtvaardig tracht te zijn.

Ter illustratie een leerzame gebeurtenis: eens had Imam Ali (ra) tijdens een strijd een ongelovige overmeesterd en op de grond geworpen. Toen hij zijn zwaard trok om hem te doden, spuugde de ongelovige op hem. Op dat moment besloot hij om de ongelovige te sparen en doodde hem niet. De ongelovige vroeg hem: “Waarom heb je mij niet gedood?” Imam Ali beantwoordde hem: “Ik wilde jou omwille van Allah doden. Echter, toen je op me spuugde, werd ik kwaad. Mijn intenties raakten bezoedeld door mijn nefs, waardoor ik niet meer handelde omwille van Allah. Daarom heb ik je niet gedood.” Hierop zei de ongelovige: “Ik spuugde om je snel boos te maken, zodat je me zou doden. Aangezien jullie religie zo zuiver en oprecht is, is het de ware religie.”

Een andere opmerkelijke gebeurtenis: eens onthief een rechtvaardige opperrechter een rechter uit zijn ambt, omdat hij een teken van woede toonde toen hij het oordeel gaf om de hand van een dief af te laten hakken. Immers, de rechter had volgens de opperrechter in overeenstemming met de sharia en goddelijke wetten moeten oordelen zonder enige emotie van woede of medelijden. Zijn onvermogen om dit te doen toonde aan dat zijn nefs zijn oordeel vertroebelde, waardoor hij het vonnis niet op een volledig rechtvaardige wijze kon voltrekken.